30 juli

Schriftlezing: 1 Johannes 2:2 – 27

Gemeente!

Vorige week lazen wij hier het eerste hoofdstuk van de eerste brief van Johannes. Wij hoorden toen hoe de auteur benadrukt dat God licht is. Maar ook ontdekten wij dat Johannes daarbij niet zozeer dacht aan een onbarmhartig en alles verzengend licht, maar meer aan een vriendelijk en kwetsbaar licht. Geen zon die de aarde verschroeit en alles tot een woestenij maakt, maar zoiets als het zachte licht van een kaars die licht brengt in de duisternis. Het is het licht dat midden in de chaos en de onvolkomenheid van deze werkelijkheid toch steeds weer de kop opsteekt en spreekt van leven midden in de dood. Zoals een krokus in het vroege voorjaar zijn kopje door de harde grond duwt als een teken van het naderende einde van de winter. Zo’n licht is onze God. Kwetsbaar. Maar in zijn kwetsbaarheid sterker dan al die machten van dood en duister die zich breed maken.

In dat verband sprak Johannes ook over de zonde. ‘Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons’, schrijft hij. Geen mens is volmaakt. En wij leven in een onvolmaakte wereld. Als het er op aan komt, schieten wij maar al te vaak te kort. Wij moeten het allemaal hebben van geduld en vergeving. Maar hier mogen wij ons koesteren in dat kwetsbare licht van Gods genade. Hier mogen wij van week tot week weer horen van zijn grote geduld, dat ons met al ons falen en feilen duldt en ons de tijd en de ruimte geeft om ons te ontwikkelen. Want wij moeten natuurlijk wel vérder komen. Als wij zeggen God te kennen moet dat volgens Johannes aan ons gedrag te zien zijn. Dat zet in dit tweede hoofdstuk de toon van het vervolg van zijn brief. ‘Wie zegt: ik ken hem, maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar’.

Dat je God kent, bewijs je volgens Johannes niet met woorden, maar met daden. Je kunt wel beweren dat je God kent en de hele geloofsleer zomaar kunt oplepelen, maar als je je er niet naar gedraagt stelt zo’n bewering niets voor. Goed joods gedacht moet er overeenstemming zijn tussen zeggen en doen, tussen woord en daad. Daar is in het hebreeuws zelfs maar één woord voor: dabar. Dat betekent zowel ‘woord’ als ‘daad’. In het joodse denken doe je wat je zegt. Als je zegt dat je God kent, dan moet dat aan je gedrag te zien zijn. En dan vooral in het liefhebben van de ander. ‘De liefde is het antwoord dat ieder verder draagt, waarin God zich laat kennen aan al wie naar Hem vraagt’, zongen wij daarnet. Het lijkt haast in tegenspraak te zijn met wat Johannes in het eerste hoofdstuk zei over onze onvolmaaktheid, ons zondaar zijn. Onze ontoereikendheid, ook waar het die liefde voor elkaar betreft. Moeten wij nu ineens toch een soort van perfectie nastreven? Als Johannes verderop in vers 6 schrijft dat ‘wie zegt in hem te blijven, in Jezus' voetsporen behoort te treden’, dan lijkt het zelfs alsof u en ik allemaal kleine Jezusjes moeten worden.

Ik denk dat Johannes heus wel beseft dat hij ons hier overvraagt. Maar tegelijk is hij ervan overtuigd dat het geloof een mens op den duur ten goede kan veranderen. En precies tussen die twee polen in leven wij ons leven. Tussen onvolmaaktheid en vernieuwing. Of, wat meer dogmatisch gezegd, tussen zonde en heiliging. Natuurlijk wordt van ons niet gevraagd een ‘look alike’ van Jezus te worden. Wie denkt dat hij Jezus is, belandt in de armen van de psychiatrie. Het is nooit de bedoeling dat wij Jezus gaan imiteren. Dat zou trouwens toch maar een slechte imitatie zijn. Nee, het kan hooguit de bedoeling zijn dat mensen in ons doen en laten bepaalde trekken van Jezus ervaren, zoals je van iemand kunt zeggen: ‘jij bent zeker een broer van die en die, je lijkt tenminste wel een beetje op hem...’

Waar het Johannes om gaat, is dat wij in alle onvolkomenheid die ons nu eenmaal eigen is, toch trekken vertonen waarin iets zichtbaar wordt van Gods liefde voor het leven, zoals die in Jezus gestalte kreeg. Maar dan is het wel belangrijk dat wij ons voortdurend op Jezus blijven oriënteren. ‘In Jezus blijven’ noemt Johannes dat. De uitdrukking komt veertig maal voor in het vierde evangelie en zevenendertig maal in de eerste en tweede brief van Johannes. Het is dus echt een lievelingswoord van hem. Wij mogen er waarschijnlijk uit opmaken dat degenen die deze teksten hoorden, onder druk stonden om niet in Jezus te blijven en af te haken. De tegenkrachten waren in die begintijd immers groot en het vroeg heel wat van de eerste christenen om aan Jezus vast te houden. Daarom houdt Johannes zijn lezers nadrukkelijk voor dat er buiten Jezus geen leven is. En daarmee bedoelt hij natuurlijk dat je jezelf tekort doet in je mogelijkheden om van je leven iets te maken, als je dat buiten de verbondenheid met God om wilt doen en alles alleen uit jezelf meent te moeten halen. Dan sta je op een gegeven moment droog, dan raak je leeg en uitgeput. Maar wie open staat voor die goddelijke groeikracht die in Jezus werkzaam is en dus ‘in hem blijft’, zal die levenschenkende invloed van zijn Vader ook ervaren. En het kan niet anders, of dat wordt gaandeweg zichtbaar in de wijze waarop hij of zij in het leven staat.

En dan vervolgt Johannes met ‘heb de wereld en wat in de wereld is niet lief’. Ik kan mij voorstellen dat u die woorden na het voorafgaande niet direct kunt plaatsen. Wij leven toch immers in deze wereld? Maar met ‘de wereld’ bedoelt Johannes hier iets anders dan die prachtige aarde waarop wij ons leven leven en mogen genieten van al het goede dat er is. De wereldmijding waar hier sprake van is, is geen oproep om omwille van je geloof af te zien van alle geneugten van het leven. In de johanneïsche geschriften heeft het begrip ‘de wereld’ allerlei verschillende betekenissen. In positieve zin is de wereld door God geschapen en daarom door Hem bemind. Jezus is het licht voor de wereld en als zodanig ook de redder van de wereld, die mensen deel wil geven aan het ware leven. Die lijn is in de johanneïsche geschriften heel belangrijk. Maar langs die lijn komen we dan ook bij de negatieve betekenis van het begrip wereld, want dat ware leven, daar komen wij vaak niet aan toe doordat er ook allerlei machten werkzaam zijn die een beroep doen op onze begeerten en instincten en ons daardoor van dat ware leven áf houden. En het is dat laatste begrip ‘wereld’, waarvoor Johannes ons waarschuwt dat we dat niet lief moeten hebben. Johannes omschrijft dat in vers 16 als zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid en pronkzucht. Hem is er álles aan gelegen dat wij, in het voetspoor van Jezus, het ware leven zullen ontdekken. De vervulling die te vinden is wanneer wij verbonden zijn en blijven met God als de bron van ons bestaan, de dragende grond van heel ons leven.

Vanuit die tegenstelling moeten wij ook die regels verstaan over de antichrist. ‘Kinderen, het laatste uur is aangebroken’, waarschuwt Johannes, ‘u hebt gehoord dat de antichrist zal komen’. In de geloofsgeschiedenis van Israël wordt de hoop op een nieuwe toekomst voortdurend beschreven als iets dat zal gebeuren ‘in de komende tijd’. Dat geldt ook voor de verwachting dat er ‘ooit’ een tijd zal aanbreken waarop de Messias zal verschijnen om Israël te bevrijden van de onderdrukking en alle leed geleden zal zijn. Die verwachting zet alles op scherp. In de geloofsvisie is het altijd vijf voor twaalf, want om twaalf uur zal alles anders zijn. Zo pakt Johannes dat motief van het laatste uur op om de leden van de eerste christelijke gemeente te waarschuwen voor de tegenkrachten, die er op uit zijn hun geloof te ondermijnen. Want ook dat behoort tot die Messias-verwachting: de antimacht die daardoor onmiddellijk ook wordt opgeroepen. Waar de eerste christenen in Jezus de komst van de beloofde Messias beleven, moeten ze erop bedacht zijn dat er binnenkort een tegenstander zal opstaan, een soort anti-Messias, een antichrist, om de strijd met hem en zijn volgelingen aan te gaan.

Er is in de loop van de tijden een hoop gespeculeerd over deze antichrist. Vooral wie gevoelig is voor een einde der tijden probeert steeds weer een actuele betekenis aan dit woord te geven, vaak met als uitkomst dat het einde der tijden nu toch wel voor de deur staat. Maar in alle nuchterheid is het goed om vast te stellen dat het woord antichrist in de eerste plaats  een typisch johanneïsch woord. Wij komen het in de evangeliën en de brieven van Paulus niet tegen en ook niet in de Openbaring, alleen in de brieven van Johannes. En in die brieven komt het slechts vijf keer voor. Opvallend is dat Johannes de eerste keer dat hij het woord gebruikt, hier in vers 19, zelfs van antichristussen spreekt, in het meervoud dus. Hij ziet dus niet zozeer één persoon die aan het eind der tijden bedreigend zal zijn, nee, hij ziet meer personen. En verder is het opvallend dat het Johannes niet om iets toekomstigs gaat, maar om nu levende personen. Als we goed lezen, zien we dat die antichristussen gewoon leden van de christelijke gemeente zijn. Alleen verderop in zijn brief spreekt hij van de geest van de antichrist, die komen zal. Maar ook daarbij heeft hij niet zozeer een persoon op het oog in wie het mythologische kwaad schuil gaat, maar veelmeer een soort mentaliteit die in bepaalde leden van de gemeente zichtbaar zal worden in de twijfel die zij zaaien aan de belangrijke betekenis die Jezus in de christelijke gemeente heeft als het menselijk gezicht van het goddelijk mysterie. En daar moet krachtig tegen gewaarschuwd worden. Er is Johannes álles aan gelegen om die bijzondere betekenis van Jezus voor het geloof veilig te stellen. En hij zegt het nog maar eens, in de hoop dat de lezers van deze brief het nooit zullen vergeten: ‘wat u vanaf het begin hebt gehoord, laat dat in u blijven. Als in u blijft wat u vanaf het begin hebt gehoord, zult u in de Zoon en in de Vader blijven. En dit is wat hij ons heeft beloofd: het eeuwige leven.’

Wie in Jezus blijft, zegt Johannes, die wacht het eeuwige leven. En dat is niet alleen een belofte voor wat ons hierna wacht, aan gene zijde van de dood, nee – voor ons, levenden, is het in eerste instantie een verwijzing naar de volheid van het leven, de vervulling van al onze verlangens, een kwaliteit van leven die te ervaren is wanneer wij ons openstellen voor de liefde van God als de kracht die heel ons leven draagt, van dag tot dag. Het eeuwige leven is een leven in verbondenheid met de Eeuwige. En het ligt klaar voor ieder die zich met Hem verbinden wil.

Amen.

© 2017 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.