23 juli

Schriftlezing: 1 Johannes 1:1 – 1 Johannes 2: 2

Gemeente!

Vandaag beginnen wij met een doorgaande lezing van de eerste brief van Johannes. Bijna aan het eind van de bijbel vinden wij drie brieven van de hand van deze auteur. De eerste ervan is de meest uitgebreide en ook de belangrijkste. In vijf hoofdstukken wordt meer dan in enig ander bijbelboek benadrukt dat een leven in het licht gekenmerkt wordt door liefde en dat dit het hart is van de christelijke levensstijl. De andere twee brieven van deze auteur zijn allebei nog geen bladzijde lang en behoren tot de kleinste geschriften die in de bijbel te vinden zijn.

Het is moeilijk te achterhalen wie deze Johannes nu precies was. De meeste geleerden zijn het erover eens dat het niet de discipel met de naam Johannes was, noch de evangelist Johannes. Omdat er echter een grote overeenkomst is tussen het evangelie van Johannes én deze brief van Johannes wordt algemeen verondersteld dat de oorsprong van beide geschriften te vinden is in een Johanneïsche gemeenschap ergens in Klein Azië, waar liefde en licht leidende motieven waren. Uit datzelfde gedachtegoed stammen ook de tweede en derde Johannesbrief, al is er onder de geleerden geen overeenstemming of de auteur van de eerste Johannesbrief ook de auteur is van de tweede en derde brief.

Kortom, als we het hebben over de auteur, dan zijn er nogal wat vragen. En dat geldt eigenlijk ook voor de datering van deze brief. Maar algemeen wordt aangenomen dat deze brief rond het jaar 100 geschreven is. Overigens, een échte brief zou je dit geschrift niet kunnen noemen. Er is geen adres, geen afzender, geen groet aan het begin, geen groet aan het slot – al die klassieke elementen die brieven uit die tijd kenmerkten, ontbreken. Het is meer een korte verhandeling, een soort traktaat. Maar de schrijver kent zijn lezers en hij benadert ze op een heel directe wijze. Hij gaat niet zozeer de discussie met ze aan, maar laat horen wat naar zijn mening op dat moment gezegd moet worden.

En het eerste dat Johannes ons onder de aandacht wil brengen is dit: God is licht. Hij schrijft dat na een inleiding die wel heel sterk lijkt op het begin van het Johannes-evangelie en waarin hij benadrukt dat het goddelijk mysterie in Jezus een menselijk gezicht heeft gekregen. Wie wil zien hoe God aan ons handelt, doet er verstandig aan te kijken naar hoe Jezus handelt en naar de weg die hij door het leven ging, zegt hij. Overal waar hij kwam probeerde hij de duisternis waarin mensen konden verkeren, te veranderen in het licht. Wie met hem in aanraking kwam, ging vanuit de dood over naar het leven – ontdekte een nieuwe overvloed waar hij of zij voordien geen weet van had. In hooggestemde woorden legt Johannes getuigenis af van de betekenis die Jezus voor hem heeft. En niet alleen voor hém, maar voor de hele gemeenschap waar hij deel van uitmaakt. Heel nadrukkelijk staat deze inleiding niet in de ‘ik’ vorm, maar in de ‘wij’ vorm. Johannes maakt duidelijk dat hij staat in een traditie van mensen die in Jezus de vervulling hebben gevonden van het geheim waarnaar zij op zoek waren. Het is geen persoonlijke opvatting van hem, maar het zijn de dragende inzichten van de gemeenschap in zijn geheel.

En dan zegt hij dus: God is licht. Er is in hem geen spoor van duisternis. Die uitroep staat als een soort van geloofsbelijdenis aan het begin van deze brief. Maar dat God licht is, geloofden in die tijd wel meer mensen dan alleen de aanhangers van dit nieuwe joodsachtige geloof in de Messias die Jezus heette. Elke godsdienst had een lichtgod, een zonnegod. Maar zo blij als wij zijn dat hij schijnt, we meten er zelfs het welslagen van onze vakanties aan af, zo op hun hoede waren ze daar. De zon is voor zuiderlingen geen vriendelijk licht, geen licht dat ons aanstoot in de morgen, maar meer een verzengende hitte, een onbarmhartig licht. Waar de zonnegod aanbeden werd, was dat ook om hem binnen de perken te houden, om hem te smeken de oogst niet te verschroeien. En nu zegt Johannes, met de woorden van al die religies om hem heen: God is licht. Maar hij denkt daarbij, en werkt dat ook zo uit, eerder aan het vlammetje van een olielamp in de synagoge of aan het zachte licht van een kaars die licht brengt in de duisternis.

Het licht van deze God is een vriendelijk licht, geen onbarmhartig licht. Het is ook een kwetsbaar licht. Dat merken wij dagelijks als we via de media op de hoogte worden gehouden van alle duisternis in deze wereld. En anders weten wij het wel uit alle ziekte, nood en dood die ons en onze geliefden zomaar onverhoeds overkomen. De filosoof Nietzsche heeft gezegd: ‘het alles overheersende kenmerk van deze wereld is chaos’. Duisternis bepaalt het aardse bestaan, zegt Nietzsche. Chaos. Kijk maar om je heen. Je ziet het toch overal? Maar dwars daar tegenin zegt Johannes: nee. Dat is een veel te eenzijdige kijk op de werkelijkheid, die Nietzsche er op na houdt. Natuurlijk, als je alleen de media volgt, dan zie je vrijwel alleen maar ellende. Oorlog, geweld, rampen. En ook in ons persoonlijke leven een opeenstapeling van ziekte en dood, lichamelijke achteruitgang, scheidingen en andere meer of minder traumatische ervaringen. Maar dat is altijd slechts een deel van de werkelijkheid. Goed nieuws is geen nieuws, zeggen de media. En zo blijven wij verschoond van allerlei andere beelden die onze blik wat zouden kunnen bijstellen. Prachtige zonsopkomsten worden niet of nauwelijks vertoond, kinderen die geboren worden, dolgelukkige ouders, een man die gezond en wel het ziekenhuis verlaat, een meisje dat slaagt voor haar eindexamen, mensen die elkaar helpen en nabij zijn – ook dat is onderdeel van deze werkelijkheid.

Midden in de chaos klinkt steeds weer die kreet uit het begin: er zij licht. Gods licht herschept de chaos steeds opnieuw tot een plek waar je kunt leven. Het is het licht dat opgaat over een volk dat in duisternis ronddwaalt. Het is het licht dat in de paasnacht gaat schijnen, het licht dat hier elke zondagmorgen te zien is. Een kwetsbaar licht. Maar zoveel vriendelijker dan het alles verzengende licht. Een barmhartig licht. Maar juist zo een aanhoudend licht dat overwint. Zo’n licht is onze God. En bij dat licht leven wij, in alle onvolkomenheid die ons nu eenmaal eigen is. Want ook dat moet gezegd: het is goed dat wij ons realiseren dat wij zondaars zijn. ‘Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons,’ zegt de schrijver van deze brief.

Het is begrijpelijk dat er op een gegeven moment in christelijke kring een zekere weerstand is gegroeid tegen het begrip ‘zonde’. Er werd in het verleden ook wel erg veel nadruk op gelegd dat wij niet in staat waren tot enig goed, want dat is niet hoe wij dat ervaren. Maar we moeten naar mijn idee het begrip ‘zonde’ ook weer niet kwijtraken. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik het heerlijk vind dat ik een zondaar ben. Dat betekent voor mij niet een vrijbrief om maar wat aan te rotzooien, maar het is ongelooflijk bevrijdend en ontspannend dat je niet perfect bent. En dat ook niet hoeft te zijn! Ik zie om mij heen hoe een streven naar perfectie zich steeds meer van onze samenleving meester maakt. Mensen worden soms om niets afgebrand. Of raken opgebrand omdat ze niet kunnen voldoen aan de hoge eisen die het moderne leven aan ze stelt. Er is vaak weinig geduld om kleinigheden. Maar mensen maken fouten, rampen gebeuren nu eenmaal, veiligheid is niet optimaal te garanderen. Als we ons dat weer eens realiseerden, zou er heel wat krampachtigheid van ons afvallen. De wereld is niet volmaakt. U en ik zijn niet volmaakt. Wij moeten het allemaal hebben van geduld en vergeving. Genade, zo u wilt. Wij zijn een gemeenschap van zondaars. Als ik mensen weleens schamper hoor zeggen: ‘en dat zit dan op zondag op de eerste rij in de kerk’, dan zeg ik: ‘dat hebt u goed gezien, zij weten dat ze zondaars zijn; overigens... daar is voor u vast ook nog wel een plekje vrij...!’

Hier mogen wij zondaars ons koesteren in dat kwetsbare licht. Hier ontvangen wij steeds opnieuw ons leven weer. Geen mens is volmaakt. En wij leven in een onvolmaakte wereld. Om dat vol te kunnen houden hebben wij het nodig om te horen dat wij er mogen zijn zoals we zijn. Niet om te blíjven wie we zijn, het is natuurlijk de bedoeling dat wij met vallen en opstaan groeien in menselijkheid, maar er is een groot geduld dat ons met al ons falen en feilen duldt en ons de tijd en de ruimte geeft om ons te ontwikkelen. Hier mogen wij van week tot week weer horen dat wij nooit worden afgeschreven, maar dat ook onze naam geschreven staat in de palm van Gods hand. Ten léven. En dat Hij er alles aan doet om ons en deze wereld terecht te brengen. De schrijver van deze brief zegt dat het bloed van Jezus ons reinigt van alle zonde. Eerlijk gezegd is dat niet echt mijn taal. Maar ik versta het zo dat in Jezus onomwonden duidelijk is geworden dat God ons liefheeft, in al onze kwetsbaarheid en in al onze gekwetstheid. Daar hoeven wij ons dus niet voor te schamen. Ik ben niet perfect, ik schiet tekort op alle fronten – maar ondanks dat is er Eén die zielsveel van mij houdt. En aan die liefde ontleen ik de kracht om mijn ellende niet te verdringen en te verdrinken, maar om te geloven in een nieuw begin.

De dichter Gerrit Achterberg is iemand die dat aan den lijve heeft ondervonden. Hij is niet alleen een van onze grootste dichters, maar ook een man in wiens persoonlijk leven zich een groot drama heeft voltrokken. In een vlaag van verstandsverbijstering had hij in zijn jonge jaren zijn hospita doodgeschoten. Jaren van detentie en verpleging volgden. En je vraagt je af hoe een mens met zo’n zware last ooit nog verder kan. Zelf weet hij dat hij de schuld die op hem drukt nooit goed kan maken. Hij weet dat hij een liefde nodig heeft die zo groot is dat zelfs de zwaarste schuld erin wegzinkt en verdwijnt. Vanuit zijn orthodox christelijke opvoeding herkent hij die liefde in de persoon van Jezus. En dan schrijft hij in zijn gedicht ‘Bekering’ de volgende ontroerende regels:

Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,

tussen ons en den Vader, naar uw Woord,

mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,

wat er ook in ons leven is gebeurd.

 

Ik deed, van alles dat gedaan kon worden,

het meest misdadige – en was verdoemd.

Maar Gij hebt God een witte naam genoemd

met die van mij. Nu is het stil geworden,

zoals een zomer om de dorpen bloeit.

Amen.

Bronnen:         Alex van Ligten, Intussen is het ook weer droog geworden (Vught, 2010)

                        André Troost, In liefde geloven (Zoetermeer, 1987)

© 2017 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.