02 juli

Schriftlezing: Lucas 15: 1-10

Gemeente!

't Is een dag als alle andere dagen. En ergens in het hartje van Israël maakt een priester zich op om net als alle andere dagen te gaan naar het hartje van Israël: de tempel. Maar er is iets met die man. Want hij mag dan wel Zacharias heten - de Heer heeft aan mij gedacht - maar Zacharias denkt stilletjes voor zichzelf: ‘ja, dat hád je gedacht...’ Een uitgeblust priester is hij. Hij doet nog wel z’n werk, maar 't is meer een soort van automatisme. Een gaan op de automatische piloot. De bezieling, de geest, de spirit is er allang uit. Een leven lang hadden hij en z'n vrouw Elisabeth gehoopt op kinderen – ja, niet alleen op kínderen, maar óók op die éne langverwachte zoon, die misschien de beloofde messias zou zijn – maar 't bleef een ijdele hoop. En nu was de kans verkeken. Ze waren te oud. Het zat er niet meer in. Een uitgeblust priester is Zacharias. Het vuur is eruit. Een verloren mensenkind, zo voelt hij zich. Een verloren priester. En zó vindt hem de engel Gabriël, die plotseling uit de hoge hemel komt aangewaaid om hem niet alleen de groeten van God te doen, maar om hem ook te zeggen: ‘wees blij, want je gebed is verhoord – de Heer heeft aan je gedacht – je vrouw zal een zoon ter wereld brengen en jullie zullen hem Johannes noemen’.

Gemeente, met dit overbekende verhaal begint het evangelie van Lucas. Een mens die zich verloren voelt, wordt gevonden door een engel, die hem aanspoort blij te zijn, want God ziet naar hem om. En eerst gelooft Zacharias daar helemaal niets van – hij is met stomheid geslagen – maar alles blijkt te gaan zoals de engel had gezegd – en Johannes wordt geboren. En die jongen heeft zowaar nog een aartje naar z'n vaartje ook, want óók hij is iemand die zich meer dan gemiddeld interesseert voor de dingen die van boven zijn. En als op een goeie dag Jezus hem opzoekt op zijn stekkie aan de Jordaan, waar hij verloren mensen de blijdschap schenkt van door God gevonden te zijn – als Jezus hem daar opzoekt, dan zegt hij: ‘dit was nog maar het begin’. En dan kijkt hij Jezus aan en zegt: ‘jij zult het afmaken, want jij bent het die komen zou. Beloofd is beloofd’.

Ja, en dat is dan het begin van een lange weg door stad en land, waar velen zich verloren voelen en van God en mens verlaten. Want het leven is hard en de mensen zijn hard. En de mensen kijken wel, maar vaak met een ongeïnteresseerde blik. In die wereld begint Jezus zijn weg. En hij ziet de mensen. Maar hij ziet ze met de ogen van God. En de mensen hebben dat al gauw in de gaten. Er is iets met die man. Hij spreekt met een wonderlijk gezag. En als je bij hem in de buurt was, dan was het net of God ook in de buurt was. 't Was net of God zelf even de aarde kwam aanraken. Een engel van een mens, die de dingen van boven beneden bracht.

Maar ergens klopte er iets niet, want uitgerekend de godsdienstige elite, het vrome volk, de mensen die de vaste grond gevonden hadden, die kwamen bij hem van een koude kermis thuis. Het was net of ze in zijn herberg niet thuis waren. Hij ging aan hen voorbij. Een straatje verder. En daar zat Levi, de tollenaar, rijk maar verloren, want aan zo'n collaborateur ging iedereen voorbij. Maar uitgerekend op hém gaat Jezus af. ‘Levi, jou moet ik hebben. Ik weet wel dat de mensen niets van je moeten hebben, die zien alleen wat voor handen is, de buitenkant, ze zien alleen een mens zoals hij is. Maar, Levi, er is ook nog een andere kant aan jou. Heus, geloof me. Zoals in iedere nette, fatsoenlijke burger een wild beest gevangen zit, zo geloof ik dat iemand die door iedereen als slecht gezien wordt, een verborgen goede binnenkant heeft die erom vraagt, tevoorschijn te komen. Levi, écht, jóu moet ik hebben. Volg mij!’

En Levi weet niet goed wat hem overkomt. Hij die was verloren, wordt gevonden. Eén en al blijdschap is hij. En om dat te vieren, wordt er een feestmaal aangericht. En uitgerekend het tuig van die dagen wordt aan tafel uitgenodigd. En je ziet het voor je, die wonderlijke gemeenschap van verzopenen en bezopenen, verlorenen die opeens een plekje krijgen waar ze thuis kunnen zijn. Eindelijk gevonden. En als ze uitgegeten zijn, gaat Jezus nog even met Levi een straatje om. Maar op de hoek van de straat staan ze ineens oog in oog met een aantal schriftgeleerden en farizeeën, die weleens willen weten hoe hij het in zijn hoofd haalt om uitgerekend met zo'n zootje ongeregeld te eten en te drinken en hoe hij nota bene die collaborateur van een Levi durft op te nemen in zijn kring. Dat druist toch tegen alle fatsoen en godsdienstige étiquette in. Zoiets doe je toch niet! Maar dan antwoordt Jezus: ‘de mensen die gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wél mensen die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars, tot bekering’.

En vervolgens ging hij door met wat hij steeds gedaan had en maar niet laten kon: het opzoeken van wie verloren waren, om ze de blijdschap te schenken van het door God gevonden zijn. Maar het blijft steken bij de mensen die het ‘gevonden’ hebben, de schriftgeleerden en de farizeeën. En ze wachten hem weer op, op de hoek van de straat, en ze mopperen: ‘die man ontvangt zondaars en eet met hen’. En dan vertelt Jezus hun een verhaal, een gelijkenis, in de hoop dat ze dat beter begrijpen dan de gelijkenis die hij met z'n leven vertelt. En we horen hoe Jezus vertelt van een herder, die een schaap verloren is, z'n kudde in de steek laat en pas weer blij is, wanneer hij het gevonden heeft. En we horen hoe Jezus vertelt van een vrouw die een muntje verliest en het hele huis op z'n kop zet totdat ze het teruggevonden heeft en dan uit blijdschap de hele straat uitnodigt om dat te komen vieren.

Twee verhaaltjes. Eén over een man. En één over een vrouw. En allebei gaan ze over iemand die iets verliest, alle mogelijke moeite doet om het verlorene te vinden, en dan tenslotte de blijdschap, de vreugde als het gevonden is. Twee verhaaltjes, als inleiding op het grotere verhaal van de verloren zoon, dat hierop volgt. In héél Lucas 15 gaat het om de blijdschap over het vinden van het verlorene. En u begrijpt dat hierin gezegd wil zijn hoe blij Gód is, als een verloren mensenkind gevonden wordt.

Maar het spannende èn het verrassende, gemeente, dat zit hem nu juist in dat slot. ‘Daarom zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over 99 rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben’. Aan het eind van deze beide gelijkenissen horen we opeens dat die hele cyclus van verliezen - vinden - vreugde drááit om bekering. Inkeer. Maar bekering van wie? Wie moet er nu eigenlijk bekeerd worden? Wie is nu eigenlijk die verlorene?

Want weet u, wij weten dat vaak zo goed. En dat wij daar niet bij horen, dat weten we ook vaak zo goed. Wij zijn een kerk van brave, oppassende burgers die menen ‘een woord voor de wereld te hebben’, want wij hebben het gevonden. Wij hoeven niet bekeerd te worden – wij zijn bekeerd. Maar ik kan nooit zo goed loskomen van dat gesprek dat ik lang geleden, in mijn studententijd, eens had in het Haarlemse jongerenhuis van bewaring. Misschien kent u het wel. Ik heb het vast al wel eens vaker verteld. Ik zat daar op cel bij een jongen die daar al voor de vierde keer zat – en omdat ik daar toen ook regelmatig een avond zat, waren we zo langzamerhand geen vreemden meer van elkaar. Hij zat op z'n bed, ik op de stoel er tegenover. ‘Weet je’, zei hij, ‘weet je dat het ook weleens omgekeerd kon zijn, dat jíj hier op bed zat en ik dáár in jouw stoel, we hadden alleen allebei ergens anders geboren moeten worden, in een andere buurt, een ander huis, een ander gezin...’

Gemeente, dat u en ik hier zitten, is dat louter eigen verdienste?

Daar in de gevangenis heb ik één ding voor altijd heel goed geleerd: wij zijn in dit huis van God welkom, niet omdat wij zo goed zijn, zo verdienstelijk bezig zijn, maar omdat God goed is. In dit huis gaat het niet om onze eigen verdiensten, ons goede fatsoen, onze hoogstaande ethische normen waardoor we nooit eens uit de band springen en ieder het zijne geven. In dit huis wordt ons gezegd dat we gerechtvaardigd zijn buiten onze eigen verdiensten om. Wie meent daar door eigen gedrag aan bij te kunnen dragen, loopt het risico dat hij al gauw met het vingertje gaat wijzen naar wie in zijn ogen minder verdienstelijk bezig is. Dan komen er zwarte schapen in het vizier. En een zwart schaap is al gauw een verloren schaap. Gemeente, het komt hier aan op bekering, ook al menen die negenennegentig rechtvaardigen dat ze die niet nodig hebben.

Overigens, dat woord bekering, daarbij moet u niet denken dat dat een heel bijzondere mystieke ervaring is, die je als een donderslag bij heldere hemel overkomt. Bekering betekent niets anders dan dat je telkens weer probeert God God te laten zijn – dat jezelf de stoel van God, waar je heimelijk op zat en van waaruit je kwistig overal in het rond gele en rode kaarten uitdeelde wegens verkeerd spel van anderen, dat jezelf de stoel van God afstaat aan God zelf. Telkens weer. Bekering maakt een mens bescheiden en leert hem af onderscheid te maken tussen de schapen onderling. Dat doet de Herder zelf wel. En als Hij het niet doet, dan is dat zijn zaak, en niet de onze. Je bent gewoon één van de honderd schapen. En de Goede Herder gaat rond door stad en land, op zoek naar wie verloren is. En wie gevonden wordt, die wacht een feestmaal. Voorbode van het feestmaal dat eens bereid zal worden als wij aan tafel zullen zitten bij God zelf – als wij voorgoed gevonden zijn.

                                                                       Amen.

© 2017 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.