04 april

Schriftlezing: 1 Petrus 1: 3-12 en Johannes 19:38 – 20:18

Gemeente!

De laatste weken volgden wij Jezus gedurende zijn laatste dagen onderweg naar en in Jeruzalem. Wij zagen hoe alles en iedereen zich steeds meer tegen hem keerde en hem uiteindelijk in de steek liet. En het resultaat daarvan is zijn gruwelijke dood aan het kruis. Daarna werd het stil. Doodstil. De scharen zijn weggetrokken, de soldaten ingerukt. Slechts een paar schuwe figuren dwalen in de schemer van de avond nog wat rond, in de hoop door niemand gezien te worden. Een van hen blijkt Jozef van Arimathea te zijn. De andere evangelisten weten van hem te vermelden dat hij lid was van de joodse raad. Een rijk, eerlijk en rechtvaardig man. En in het geheim een volgeling van Jezus. Nooit eerder hebben we over hem gehoord. In geen van de tot nog toe gehouden raadszittingen heeft hij zijn stem verheven. Hij zal ongetwijfeld af en toe op het puntje van zijn tong hebben gebeten, maar hij durfde er niet voor uit te komen dat hij in Jezus de man had ontmoet die hem de weg ten leven had gewezen. Zwijgend had hij toegehoord hoe Jezus valselijk beschuldigd werd. Maar er tegenin gaan, kon hij niet. Mocht hij niet. Dúrfde hij niet. Het is een voorbeeld van hoe de macht werkt. In de politiek is het een regeerakkoord of de fractiediscipline die bepaalt dat iedereen hetzelfde moet denken en dat wie om wat voor reden dan ook daarvan af wil wijken bij voorbaat verdacht is. En een functie elders ligt altijd op de loer. En op dezelfde wijze is het in orthodoxe geloofsgemeenschappen niet toegestaan af te wijken van de leer, op straffe van excommunicatie. Zo was het voor Jozef van Arimathea eigenlijk onmogelijk om iets anders over Jezus te berde te brengen dan hoe de meerderheid van de raad over hem dacht. Het enige wat hij nu nog kan, is Pilatus om het lichaam van Jezus vragen om het te kunnen verzorgen.

Maar dan blijkt daar in de schemer nóg iemand te zijn uit de hogere kringen van de gevestigde geestelijkheid. Het is Nicodemus, die Jezus ooit in een nachtelijk gesprek had gevraagd hoe hij opnieuw geboren zou kunnen worden. Een gesprek dat veel met hem had gedaan en ervoor had gezorgd dat ook hij in het geheim een volgeling van Jezus was geworden. Hij had het zelfs een keer voorzichtig voor Jezus opgenomen tijdens een twistgesprek met de farizeeën, maar de reacties waren toen zo heftig dat hij er verder toch maar het zwijgen toe deed. Nu was hij uiteindelijk uit zijn schulp gekropen om met dezelfde intentie als Jozef van Arimathea toch nog iets voor Jezus te kunnen doen. Beiden willen hun verzuim goedmaken. Wat zij bij zijn leven niet gedurfd hadden, proberen zij na zijn dood te herstellen. Om recht te doen aan een mens die hun leven voorgoed had veranderd.

Nicodemus had kruiden meegenomen om Jezus’ lichaam te balsemen. Daarna wikkelden ze hem in linnen doeken en begroeven hem. In een nieuw graf, zoals hij Jeruzalem was binnengereden op een veulen waarop nog nooit een mens gezeten had. Alles ademt een sfeer die het gewone te boven gaat, haast als een prelude op iets nieuws dat zijn weerga niet kent. Zo mogen wij ook dat zinnetje verstaan dat er op die plek een tuin was. Dat is niet zomaar iets als wij bedenken dat Johannes Jezus wil schilderen als de nieuwe Adam, de mens zoals hij oorspronkelijk bedoeld is. Zo liet hij het begin van zijn evangelie heel bewust rijmen op het begin van het eerste Bijbelboek Genesis: ‘in het begin’. En dat weet u vast nog wel, in het begin was er die tuin waarin Adam en Eva het paradijselijke leven konden genieten. Dat nieuwe graf in die tuin zijn dan ook woorden van hoop. Johannes zegt ook niet dat ze het lichaam van Jezus begroeven, nee – er staat: ze legden Jézus daarin. Hier wordt niet een lichaam aan de aarde toevertrouwd, maar hier klinkt zijn naam in zijn volle betekenis: Jezus, Joshua, de Heer redt, de Heer bevrijdt. Zo worden wij haast voorbereid op wat gaat komen…

Dan gaat er een dag voorbij. Een dag van rust. Een dag van zwijgen en diep verdriet. Met recht een stille zaterdag. Maar dan … op de morgen van de derde dag zien we Maria ronddwalen in de tuin waar ze Jezus hebben begraven. Op zoek naar een herinnering. Iets tastbaars, waardoor ze dat wat Jezus haar gegeven had, kon vasthouden. Hij was het die haar had bevrijd van het donker dat haar kwelde en haar leven weer in het licht had gesteld. En ze is als de dood dat ze weer zal terugvallen tot het hoopje ellende dat zij ooit was. Er is haar veel aan gelegen om dat paradijsgevoel, dat gevoel van opnieuw-geboren zijn dat Jezus haar gaf, eindelijk mens, om dat vast te houden. En als er niets meer vóór je is, geen verwachting van iets moois, geen stralende toekomst, dan grijp je terug naar het verleden. Een foto. Een herinnering. Iets om bij weg te dromen. Een graf. Maar wat vindt ze? Een leeg graf. En er komt geen andere gedachte bij haar boven dan dat het lijk gestolen is. Een andere mogelijkheid is er toch zeker niet...?!

Maria dwaalt rond in die kringloop van verdriet en angst. Een weg naar beneden, het dal in. En hoe meer je afdaalt op die weg, hoe meer je je blindstaart op het onverzettelijke van de wereld om je heen en schrikt van je eigen onmacht om daar iets aan te kunnen veranderen. Zo is het. En zo blijft het. Zo zit dat. Wij zitten zo vast aan dat wat we zien, het alledaagse dat voor ogen en voor handen is, dat we het orgaan missen om iets anders te kunnen zien dan de verstarring en de vaste patronen die ons leven bepalen. Maria valt terug in de oude wereld van de dingen die voorbijgaan.

Dan is daar in de tuin waar Maria in wanhoop ronddwaalt, opeens die stem. Achter haar. ‘Waarom huil je? Wie zoek je?’ Ze draait zich om. Maar haar hoofd is vol gedachten en haar ogen zijn vol tranen. Ze ziet een man. Het zal de tuinman wel zijn. ‘Ach, meneer, als u hem hebt weggedragen, zeg mij dan alstublieft waar u hem hebt neergelegd. Ik wil hem zo graag nog even zien’. Maar het antwoord dat die man geeft, is niet het antwoord op haar vraag. Hij spreekt slechts één woord. ‘Maria’. En dat is genoeg. Die man noemt haar naam. Met liefde. En tegen het met liefde uitspreken van je naam kan niets of niemand op. ‘Maria’.

Maar wacht even… dat is de tuinman niet. Dat is Jezus! Jezus roept haar bij haar naam. Aan de stem herkent ze hem. En ineens wordt alles anders. De zon gaat op, daar boven die tuin, haar tranen drogen. Het is net de hof van Eden uit het paradijs. En zij voelt zich als Eva in de hof. Een nieuwe schepping. Nu wéét ze dat die boze geesten het niet echt zullen winnen. Ja, ze zíjn er nog wel, en ze kunnen je soms behoorlijk dwars zitten, maar ze worden slechts geduld, ze winnen het uiteindelijk niet. God wil dat niet. God wil dat mensen hun bestemming bereiken, héél worden. Dat ontdekt ze daar in wat God aan Jezus gedaan heeft door hem op te wekken tot nieuw, onvergankelijk leven. Maria hoeft niet opnieuw terug te vallen, in stukken uiteen, verward en chaotisch – Jezus noemt haar bij haar naam. Het is alsof God zélf daar bij dat lege graf Maria weer op haar voeten zet.

Maria is gelukkig. Diep gelukkig. Ze is gevonden. En ze heeft zichzelf gevonden. Die donkere tuin waardoor ze liep te dwalen, is geworden tot een tuin van licht. Een paradijs dat hemel en aarde met elkaar verbindt. De schepping is weer hersteld. De schepping herschapen, zo voelt het. Het kan weer goed worden. Het kan weer beginnen. En nu voorgoed. Een nieuwe Eva. En een nieuwe Adam. Het liefst zou ze Jezus beet pakken om hem nooit meer los te laten. Maar Jezus belet het haar. Houd me niet vast, zegt hij. Hij is ongrijpbaar. Want hij kan hier niet blijven. Jezus gaat zijn weg terug naar de Vader, maar hij geeft Maria ook een weg om te gaan: zij mag allen die ontredderd zijn om Jezus’ dood vertellen dat hij niet verdwenen is in het niets, maar is opgewekt tot nieuw, onvergankelijk leven.

Gemeente, dat is het geheim van Pasen. De Opgestane roept mensen bij hun naam. Doet ze verstaan dat niets tevergeefs is, maar dat alles meewerkt ten goede. Bijdraagt aan de oogst. Vasthouden kun je het niet altijd, dat besef. Het leven gedraagt zich wispelturig en je doet ook allerlei andere ervaringen op die je weer aan het twijfelen brengen. Vasthouden kun je het niet altijd. Maar het houdt jou vast. Door alles heen. Het leeft. Het komt naar je toe en maakt dat je je steeds opnieuw aan het leven durft toe te vertrouwen. Op hoop van zegen. Op hoop van leven. God doet zijn werk. In de nacht die het leven kan zijn gaat Hij voor ons uit en voert ons naar het licht, naar het leven en brengt Hij de Levende op onze weg. En de Levende, Hij roept ons op Hem te volgen. Onze tranen te drogen. En onze verwachtingen nooit op te geven.

Ik heb nog één vraag: hoe zou het uiteindelijk met Jozef van Arimathea en met Nicodemus zijn afgelopen? Zouden zij de moed hebben gehad om nu in alle openheid Jezus te volgen, of zouden ze toch weer teruggevallen zijn in de hun vertrouwde houding van wegduiken en wegkijken? Ik mag toch hopen dat zij net als Maria de moed hebben kunnen opbrengen om nu toch echt in het volle licht hun leven te vervolgen. Zoals ik hoop dat ook u en ik onze weg in het volle licht zullen vervolgen.

Amen.


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2021 PKN Anloo - Zuidlaren