28 maart

Schriftlezingen: Matteüs 21: 1-11 en Matteüs 26: 69-75

Gemeente!

Vandaag is het Palmzondag. Een dag die op het eerste gezicht en bij wat oppervlakkig toekijken iets lijkt weer te geven van een grote waardering die mensen voelen voor wat Jezus in hun leven heeft bewerkt. Maar als je de camera wat anders instelt en het beeld wat meer diepte geeft, dan blijkt dit hele gebeuren ook nog een aanmerkelijk minder vriendelijke ondertoon te hebben. Want naast de waardering en liefde die Jezus van sommigen ondervindt, is er ook sprake van een intense haat en wantrouwen die anderen jegens hem koesteren. Jezus mag dan op zijn ezeltje Jeruzalem binnenrijden en door velen worden toegejuicht, op de achtergrond zijn de leiders van de stad plannen aan het smeden om hem uit de weg te ruimen. Het verhaal van de Palmzondag kortom is een verhaal met twee kanten: toegejuicht worden door de massa’s, ja, maar ten diepste ook afgewezen worden door vele anderen – tot koning gekroond worden, ja, maar wel met een doornenkroon – verhoogd worden, ja, maar wel aan een kruis...!

Daarom heeft de Palmzondag ook altijd een wat dubbel karakter. Het is het heden hosanna, maar morgen kruisig hem. En dat gedeelte na de komma kun je niet zomaar tussen haakjes zetten. Het hoort er helemaal bij. Vanouds heeft de Palmzondag daarom óók de naam: passiezondag. Het is in de traditie van de kerk de dag waarop de Matthäuspassion werd gezongen. Als rechtgeaard Lutheraan componeerde Bach zijn beroemde passie dan ook niet voor de Goede Vrijdag, zoals nog weleens wordt gedacht, maar voor de Palmzondag. Deze zondag heeft in de kerkelijke traditie altijd twee gezichten gehad. Jezus’ intocht in Jeruzalem is het begin van zijn weg de diepte in. Nu wordt hij nog met enthousiasme binnengehaald, over een paar dagen laten ze hem allemaal in de steek. Als het moeilijk wordt, is het niet meer zo eenvoudig om Jezus trouw te blijven. De vreugde van de Palmzondag is daarom geen goedkope en simpele blijdschap, maar een vreugde met een diepe ondergrond. En wie dat vergeet, komt met zijn beleving van de vreugde van deze dag bóven de werkelijkheid te zweven. Jezus’ weg ten leven is onmiskenbaar een weg door de diepte heen. Pasen wordt het niet zonder de donderdag en de vrijdag die daaraan voorafgaan.

Maar het eerste dat de camera vandaag registreert, is het vrolijke beeld van Jezus’ intocht in Jeruzalem. Van alle kanten waren de mensen samengekomen om in de stad het paasfeest te vieren en de aanwezigheid van Jezus gaf aan dat feest van bevrijding nog meer luister dan anders. ‘Hosanna!’ riepen de mensen, ‘gezegend hij die komt in de naam van de Heer!’ En Jezus vond een ezeltje en ging erop zitten. En de mensen vonden het prachtig. Ze genoten met volle teugen van dit schouwspel. En ze rukten palmtakken van de bomen en met nog meer enthousiasme dan daarnet riepen ze: ‘gezegend hij die komt in de naam van de Heer!’ Een feest is het, dat zich hier afspeelt. De dag van de bevrijding is gekomen. Hosanna in de hoogste hemelen!

Maar wacht even, gemeente, want voordat wij ons in dit enthousiasme laten meeslepen, moeten we voor de volledigheid de camera toch ook even richten op wat zich buiten beeld allemaal afspeelt. Want terwijl Jezus en de menigte vrolijk vieren dat het uur van de bevrijding is aangebroken, zijn de farizeeën ervan overtuigd geraakt dat de maat nu toch echt helemaal vol is. Voor hen is die feestelijke intocht van Jezus in de stad het absolute bewijs dat hij een godslasteraar is, die geen enkel respect heeft voor waar het in het gevestigde geloof van die dagen om ging. En het zal niet lang meer duren, of Judas en de farizeeën zullen elkaar vinden en zoeken naar een gelegenheid om voorgoed met Jezus af te rekenen.

En ondertussen moeten wij ons ook niet verkijken op die feestvierende menigte. Want zij verwachten dat Jezus nu eindelijk in Gods naam korte metten zal gaan maken met de gehate Romeinse overheersers. Voor hun besef stonden ze aan het begin van een historische omwenteling. Nu zou je wat beleven...! Dat Jezus als messiaanse koning de stad niet binnenkwam hoog te paard, als een heerser, maar juist laag zittend op een ezeltje, dichtbij de mensen, als een dienaar, dat ontging ze. En het zal niet lang meer duren voordat ook hún vreugde plaats zal maken voor een stemming van bitterheid en teleurstelling, wanneer blijkt dat alles zo heel anders uitpakt en Jezus niet de bevrijder is zoals zij zich die voorstelden. Heden hosanna, maar morgen... kruisig hem...!

En wat zich afspeelt in de wijde kring om Jezus heen speelt zich ook af in de kleine kring om Jezus heen, zijn intimi. Waar de algemene stemming al gauw na die feestelijke intocht op de Palmzondag omslaat, gebeurt hetzelfde in de kring van zijn discipelen. Al zal daar niet alleen teleurstelling hebben geheerst dat alles zo anders uitpakte dan ze hadden verwacht, maar vooral ook angst. En de een na de ander zie je ze afhaken. Eerst verlaat Judas Jezus, maar op het moment van de gevangenneming in Getsémané vluchten ze allemaal en laten ze Jezus alleen. En heel dat verlatingsproces culmineert zich in de verloochening van Jezus door Petrus.

Het is een van de aangrijpendste scènes uit het lijdensverhaal. ‘Al zullen allen aanstoot aan u nemen, ik niet’, had hij gezegd. Petrus is van Jezus’ leerlingen de meest stellige. Een man die een rotsvaste zekerheid uitstraalt. Maar het kan verkeren. Als Jezus gevangen is genomen en wordt verhoord door de hogepriester Kajafas, zit Petrus buiten op de binnenplaats. En terwijl hij daar zit, komt een jonge vrouw naar hem toe en zegt tegen hem: ‘jij hoort toch ook bij die Jezus’. Petrus schrikt. En hij reageert fel en doet alsof hij van niets weet, terwijl binnen Jezus voor zijn verhoorders staat en een van de moeilijkste momenten van zijn leven doormaakt.

Petrus voelt ondertussen wel dat de grond hem te heet onder de voeten wordt en hij gaat naar buiten, naar het poortgebouw. Maar opnieuw is er een vrouw die hem confronteert met zijn achtergrond, nu niet rechtstreeks, maar langs een omweg. Tegen de omstanders zegt ze: ‘deze man hoort ook bij die Jezus’. En weer verloochent Petrus zijn band met Jezus: ‘ik ken die man niet’, zegt hij. Petrus neemt de naam van Jezus zelfs niet in de mond. Maar zijn overmatige wijze van reageren trekt de aandacht van de omstanders. Die gaan zich er nu mee bemoeien. Ze bevestigen zelfs wat de vrouw heeft gezegd. Aan zijn dialect horen ze dat hij uit Galilea komt en niet uit Jeruzalem en dat laten ze hem ongefilterd weten: ‘je hoort wel degelijk bij die Jezus; je spraak verraadt je’, zeggen ze.

Dan slaat Petrus’ schrik om in blinde paniek. Hij vloekt en zweert dat hij Jezus niet kent. Alle stelligheid die hij in zich heeft gebruikt hij nu om te ontkénnen dat hij bij Jezus hoort. Om het vege lijf te redden verloochent hij Jezus en stopt hij zijn rotsvaste overtuiging diep weg. In de hitte van de strijd kiest Petrus, de man van het principe, voor de pure overleving. En het kán niet anders, of diep in zijn hart moet hij beseffen dat dit een zware nederlaag is. Al zijn mooie woorden kan hij, nu het er echt op aan komt, niet waar maken. En als hij dan in alle verwarring van dit moment ook nog de haan hoort kraaien, dan gaat hij helemaal tegen de vlakte. Ineens herinnert hij zich wat Jezus had gezegd: dat hij, nog vóór de haan zou kraaien, hem driemaal zou hebben verloochend. Toen had hij heftig geprotesteerd, volledig overtuigd dat hem zoiets nooit zou overkomen. Nu beseft hij, dat hij op het moment suprème gewoon een angsthaas is, die met de staart tussen de benen probeert te ontkomen en niet voor zijn overtuiging staat.

Niet alleen tegenover Jezus, maar ook tegenover zichzelf heeft Petrus volledig zijn gezicht verloren. En hij gaat naar buiten, waar hij zijn tranen van wanhoop en verdriet de vrije loop laat. Toen het er écht op aan kwam, toen standvastigheid van hem gevraagd werd, toen wás hij er niet. De rots is gebroken en naar beneden gestort. Een diepe val. Is dit dan het einde van Petrus? De evangelist Matteüs noemt zijn naam hier voor het laatst. Is dit het roemloos einde van een man die zijn rotsvaste overtuiging niet waar heeft kunnen maken?

Nog even, en Jezus zal gekruisigd worden. Terwijl Petrus bezig was om zichzelf te redden, heeft de Raad het doodvonnis over zijn leermeester uitgesproken. ‘Het is volbracht’, zal Jezus zeggen voordat hij de geest geeft. Tot het laatste, bittere einde heeft hij vastgehouden aan zijn roeping. Hij is niet bezweken voor alle druk die op hem werd uitgeoefend. Hij is er niet stiekem tussenuit geknepen om het vege lijf te redden toen dat nog kon. Hij is trouw gebleven aan zichzelf. Want angst, zegt Daniël Lohues, duurt maar even, maar spijt een leven lang. Als je niet trouw blijft aan jezelf, geeft dat misschien op de korte termijn winst, maar de rekening die je ervoor moet betalen duurt een leven lang. Jezus is trouw gebleven tot in de dood. Omdat hij geloofde dat dat zijn weg was en dat God zijn beminden niet zou loslaten en dat zijn kracht sterker is dan alle dood en duister. En het verhaal gaat, dat Jezus daar terecht op heeft vertrouwd. Dat God hem heeft thuisgehaald in zijn heerlijkheid. En van daaruit is hij na zijn sterven opnieuw als de Levende verschenen aan zijn leerlingen, om ze te bemoedigen. Want zij moesten niet in wanhoop en verslagenheid achterblijven.

Zo verschijnt hij na zijn dood ook weer aan Petrus. Het is de evangelist Johannes die ons daarvan vertelt, hoe Jezus Petrus er weer bij haalt. Maar het gaat niet zomaar. Jezus doet niet alsof er niets is gepasseerd tussen hen. Het is een sessie waarin Jezus heel nadrukkelijk refereert aan Petrus’ lafheid, aan zijn halfheid. Maar daarna geeft Jezus hem weer het volle krediet. Petrus mag er weer zijn. Hij wordt in ere hersteld. Naast Paulus werd hij zelfs de meest belangrijke apostel en heeft hij veel bijgedragen aan de opbouw van de jonge kerk. En daarin maakt hij zijn naam ten volle waar. Petrus blijkt, ondanks zijn falen, ondanks zijn zwakke kanten, toch iemand waar je op kunt bouwen.

Het is een groot goed dat de zwakke kanten van deze geloofsheld in het evangelie niet worden verdonkeremaand. Of liever gezegd: het is een groot goed dat dat niet hoeft. In het leven van Petrus zien wij de kracht van de vergeving aan het werk. Van God uit gezien hoeven onze fouten en mislukkingen niet het laatste woord te hebben. Daar kunnen wij twee dingen uit leren. In de eerste plaats hoe mensen gestalte kunnen geven aan de vergeving. Niet een mens vastprikken op zijn verleden, want als je iemand steeds zijn verleden blijft narekenen, wordt dat verleden nooit verléden. Maar dat verleden hoeft ook niet weggewerkt te worden. Of verstopt. Vergeven betekent niet: vergeten, de dingen verdoezelen, maar vergeven betekent: daar niet aan blijven hangen, vooruitzien. Jezus kijkt niet naar wie Petrus was, maar naar wie hij worden kan.

En dat brengt mij op het tweede, want hoe vaak worden ook wij niet verlamd door onze fouten, onze tekortkomingen, en verliezen daardoor uit het oog wat we wél kunnen. Het valt mij op hoe vaak wij in ons denken en doen vastzitten aan het verleden. Ons heden wordt nogal eens door ons verleden bepaald. Jezus keert die blikrichting om. Hij doorbréékt die verlamming. Hij vergeeft. Hij zendt het verleden weg. Dat is trouwens de letterlijke vertaling van het Grieks voor vergeven: wég zenden.

Een mens kan heel diep gevallen zijn en z’n gevoel voor eigenwaarde helemaal verloren hebben, maar dan tóch zegt God: ‘jou heb Ik nodig, want jou wil Ik gebruiken in mijn dienst’.

Amen.


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2021 PKN Anloo - Zuidlaren