21 maart

Schriftlezing: Matteüs 26: 36-46

‘Sta op, laten wij gaan!’

Gemeente, het is dit ene simpele zinnetje waarover ik vanmorgen graag met u wil nadenken. Er spreekt uit deze woorden een kracht en een vastberadenheid, die mij altijd weer intrigeert. Vooral ook omdat wij eerst een bedroefde en bange Jezus tegenkwamen. Maar dan, aan het slot van die scène in de tuin van Getsémané, ontmoeten wij een Jezus die de angst en de twijfel voorbij lijkt te zijn. ‘Sta op, laten wij gaan!’ zegt hij. En wat mij nu interesseert, is hoe die bange en bedroefde Jezus verandert in een moedige en vastberaden Jezus. Wat ik zo graag zou willen weten, is wáár hij die zeker­­­heid, dat geloof zeg maar, dat vertrouwen, waar hij dat vandaan heeft. Wat is daar nou ge­beurd? Ja, ik weet het wel, Matteüs zegt dat hij ge­beden had tot zijn Vader, maar ik vraag mij dan af: wat is dat dan? Wat heeft zich daar nu precies afgespeeld? Kunnen wij daar misschien wat dichterbij komen?

Nog maar nauwelijks een week geleden was hij de stad binnengekomen. Niet hoog te paard zoals dat een aardse koning betaamt, maar laag te ezel, zoals dat een messiaanse koning betaamt, een koning die uit­beeldt hoe God zélf koning is, zonder al die uiterlijke tekenen van macht die meestal de onmacht van de zogenaamd machtige moeten verhullen. En de men­sen hadden het prachtig gevonden. ‘Hosanna!’ riepen ze, ‘hosanna in de hoogste hemelen!’ Maar de strekking van het gebeuren was aan ze voorbij gegaan. Ze hadden niet in de gaten waarom Jezus zo de stad binnenkwam en dat het een heel bewuste keuze van hem was ge­weest om op deze wijze zijn intocht in Jeruzalem te regisseren. De mensen snapten er niets van. Zelfs zijn discipelen hadden het niet door.

En tot in onze dagen blijkt een verkeerd verstaan van Gods ‘almacht’ in staat om mensen hun geloof te doen verliezen als Hij niet almachtig blijkt te zijn op de manier zoals wij ons dat almachtig zijn voor­stellen. Net als in onze dagen is Jezus het slachtoffer geworden van hoe wij vinden dat een koning moet zijn of hoe Gód zou moeten zijn. En toen ze door­kregen dat het anders was dan wij denken, restte hem de eenzaamheid, want wat heb je nu aan zo'n koning? De mensen riepen ‘kruisig hem!’ en zijn discipelen, teleurgesteld dat hij niet probeer­de de macht te grijpen en de Romeinen te lijf ging, zijn discipelen lieten hem uiteindelijk óók vallen: ze vielen in slaap...

En daarmee zijn we bij het gedeelte waarover wij vanmorgen nadenken. Jezus in steeds grotere een­zaamheid. Het is hem inmiddels duidelijk geworden dat hem niets anders meer wacht dan de dood. En met de dood voor ogen is hij, net als iedere sterveling, overgeleverd aan de angst voor dat grote zwarte gat én aan de droefheid om alles wat geweest is, los te laten én de droefheid om alles wat niet tot ontplooiing is gekomen. ‘Mijn ziel is bedroefd, tot stervens toe’. Met die boodschap verschijnt hij bij zijn discipelen. Maar die slapen. Zijn ze dan moe? Ach, gemeente, dat zullen ze zeker ook geweest zijn. Maar ik denk dat ze nog véél meer bang waren, bang om deze mens in al zijn vragen en een­zaamheid, zijn Godver­laten­heid, nabij te zijn: ‘ik doe net of ik slaap’. Zoals Petrus later zal zeggen: ‘ik ken die mens niet!’ En wat zullen wij daarover oordelen? Want het is toch zeker hondsmoeilijk, te waken bij iemand in doodsstrijd. En een mens is maar een mens. Zelf moet je ook overeind zien te blij­ven en de teleurstelling te boven komen dat de Messias een andere weg gaat dan je dacht en je niet van die gehate Romeinen verlost.

Jezus gaat weer verder. Een eindje verderop. ‘Vader, als deze beker niet voorbij kan gaan tenzij dat ik hem drink, uw wil geschiede!’ In alle eenzaamheid en duisternis probeert deze mens daar in Getsé­mané vast te houden aan zijn God en probeert hij te ontdekken wat in dat hele gebeuren Gods wil zou kunnen zijn. Een worsteling is het. Een gevecht met God. Een gevecht met zichzelf. Dan komt hij weer terug bij zijn discipelen. Rustig. Zelfverzekerd. Vast­beraden. ‘Sta op, laten wij gaan’.

Zijn angst en wanhoop van zo-even lijken geweken, hij lijkt nu overtuigd van de weg die hij moet gaan. En je vraagt je af wat daar nu gebeurd is. Heeft hij zich neergelegd bij het onver­mijdelijke? Heeft hij zich geschikt in zijn lot? Dat verklaart nog niet de moedige zelfverze­kerd­heid die hij nu uitstraalt. Lucas zat daar ook mee, met die vraag. En hij voegt in zijn weer­gave van dit ver­haal een engel in die aan Jezus verschijnt. Maar de dichter Rainer Maria Rilke vindt dat in zijn gedicht ‘De tuin der olijfbomen’ een gelegenheidsoplossing:

Later vertelde men: een ‘engel’ kwam.

Waarom een engel? ’t Was de nacht die kwam

en onverschillig ritselde in de bomen,

terwijl de leerlingen zich roerden in hun dromen.

Waarom een engel? ’t Was de nacht die kwam.

Van zulke nachten zijn er zonder tal;

honderden gaan er zo heen.

Er slaapt een hond, er ligt een steen

en ook een treurige, och, zomaar een,

die wacht, tot het weer morgen worden zal.

Waarom een engel? 't Was de nácht die kwam. Gemeente, die nacht, het duister, de vragen en de angsten, het donker van de ziel, Jezus had daar weet van. Net als wij. Het begon al toen in de woes­tijn, die veertig dagen van strijd om zijn levensweg in het vizier te krijgen en niet te bezwijken onder de verleiding zélf als God te willen zijn. Dáár was hij in het diepe gesprongen. Dáár heeft hij al het duis­tere en gevaarlijke van de werkelijkheid waarin wij leven doorleefd én doorzien. En dáár heeft hij die wer­kelijkheid ten diep­ste leren kennen niet als tegen hem gericht, maar daar heeft hij ontdekt dat het geheim van heel die grillige werke­lijk­heid is dat wij er ‘Vader’ tegen kunnen zeggen als wij niet vluch­ten voor al het onheil­spel­lende dat er ook in huist.

Met andere woorden: toen hij zich liet vallen en het gevecht aanging met al het duister dat het op hem voorzien had, ontdekte hij dat hij niet in een bodemloze put viel, maar dat hij uit­eindelijk grond voelde, vaste grond – dat God er zijn hand onder hield, zeg maar. Dat wij ten diepste niet aan de ano­nimiteit zijn prijsgegeven, een groot en zwijgend heelal als diepste grond van al wat is, maar dat de werkelijkheid persoonlijk is. En hoe dan ook betrouwbaar. En die erva­ring heeft hem telkens weer de kracht gegeven om dóór te gaan, als hij zich terugtrok om met zijn Vader te spreken en de psalmen bad van zijn volk. Een psalm als psalm 22, die hem aan het kruis ondanks dat begin vol wanhoop en ongeloof tóch uitzicht bood op dat gelo­vig en blij slot. En een psalm als psalm 139, waarin de psalmist bezingt dat een mens nergens, ook niet in het diepste duister, zelfs niet in het duister van de dood, voor God verborgen is. En nu, daar in Getsémané zijn het die woorden die hem helpen zijn God­verlatenheid te ver­woorden en hem juist in die diepte helpen te geloven dat hij niet van God los is. Dat ver­tellen hem die liederen van zijn volk. En het verhaal van Pasen vertelt ons dat hij daar te­recht op vertrouwd heeft.

Gemeente, dit is dus geen stilzwijgende berusting. Hier worden God en het lot niet zomaar als een en hetzelfde gezien. Het gaat om een strijd. Een gevecht met God. Een gevecht met jezelf. De beker van het lijden moet gedronken worden. Hij gaat niet zonder slag of stoot aan je voorbij. Maar wie de beker gedronken heeft, wie de strijd met het duister in alle God­verlatenheid gestreden heeft, die heeft alle angst overwonnen. Hij die tenslotte na gebeden te hebben terugkeert bij zijn discipelen, is een ander geworden dan degene die wegging. Hij is helder en wakker. Hij beeft niet meer.

‘Het is zover’, zegt hij. ‘Sta op, laten wij gaan; hij die mij overlevert is al vlakbij’. Dat is denk ik wat Lucas bedoelt met die engel. Het is een manier van uitdrukken. Je zou kunnen zeggen dat in elk gebed een engel op ons wacht, omdat elk gebed iemand die bidt verandert, be­moe­digt, een andere kijk op zich­zelf geeft, een andere kijk op de wereld en je scherper leert zien wat er van jou verwacht wordt in die krankzinnige werkelijkheid waar wij in leven én waar je de kracht vandaan kunt halen om te doen wat gedaan moet worden. Bidden leert je te waken, je eigen plek in dat grote geheel te ontdekken en kan je helpen je ogen te openen voor wat jij daarin zou kunnen doen.

En wat dat ‘waken’ betreft: vooruitlopend op het waken van de discipelen in Getsémané komt het werkwoord waken op het eind van het evangelie van Matteüs een paar keer voor, name­lijk hier én in de ge­lijkenis van de wijze en dwaze meisjes in het hieraan voorafgaande hoofd­stuk. Verder kom je het in zijn evangelie nergens tegen. En het is alsof ons zo de ogen ge­opend worden voor als Jezus ze straks zal sluiten. Want God heeft mensen nodig. En men­sen hebben mensen nodig. Wakkere mensen, die de angst hebben overstegen en die in de­ze wereld en ten dienste van deze wereld Gods naam hoog houden en die het ver­haal van zijn koninkrijk verder vertellen, in woorden en in daden.

Gemeente, sta op, laten wij gaan!

Amen.

 


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2021 PKN Anloo - Zuidlaren