14 maart

Schriftlezing: Matteüs 26: 1-5, 14-25, 47-56

Gemeente!

Dit jaar lezen wij in de veertigdagentijd met elkaar fragmenten uit het lijdensverhaal. De afgelopen zondagen zijn daaruit verschillende taferelen langsgekomen. En opvallend daarin is de rol die Judas speelt. Eigenlijk wordt zijn naam niet eens zo heel veel genoemd, maar wat we over hem horen is genoeg om hem in een kwaad daglicht te stellen. Al in het begin hoorden wij hoe hij zich ergert aan de dure olie die door Maria wordt gebruikt om Jezus te zalven. Hij is daar zo kwaad over dat hij met de overpriesters afspreekt dat hij ervoor zal zorgen dat ze Jezus gevangen kunnen nemen. Wat zou daar nu achter kunnen zitten, achter die boosheid, die ergernis die Judas drijft? Wat was Judas nou voor iemand? Op die vraag willen wij vanmorgen proberen iets van een antwoord te vinden. 't Is geen beste geweest, zegt de volksmond. En zijn naam staat dan ook voor allerhande slechte eigenschappen. Het woordenboek vertelt ons dat een Judas een listige bedrieger is, een judastronie een boosaardig gezicht, een judaswinter een slechte winter en judasgeld verradersgeld. Judasserij, judasstreek, judasgroet en judaskus – de woorden spreken allemaal voor zich. Algemeen is het beeld van Judas als de samenbundeling van alles wat slecht en laag en gemeen is. Judas komt er niet best van af. Hij fungeert als de kapstok waar wij ons kwade geweten aan kunnen ophangen. Hoe zwarter hij wordt afgeschilderd, hoe lichter wij lijken te zijn.

En daarom is het uiterst merkwaardig om te ontdekken dat de evangeliën in het geheel niet meedoen aan het apart zetten van Judas als iemand die zich in negativiteit onderscheidt van de rest. Integendeel: heel nadrukkelijk wordt gesproken van Judas, één van de twaalf. Hij staat niet los van de rest, hij hoort er wezenlijk bij. Dat blijkt ook uit het gebruik van het werkwoord ‘overleveren’. Judas ging weg om hem over te leveren, staat er. Maar dat is niet een zaak van Judas alléén – nee: hij doet dat als één van de twaalf. En vervolgens wordt Jezus door de hogepriesters en de oudsten van het volk overgeleverd aan Pilatus, die hem op zijn beurt weer overlevert aan de soldaten.

Wat vanuit de kring van de discipelen begint, zet zich voort in de handelwijze van de leidslieden van het volk en van de Romeinen. Met andere woorden: voor de overlevering van Jezus is niet één in het bijzonder verantwoordelijk, allemaal zijn ze erbij betrokken. Niemand uitgezonderd. Onze menselijke neiging tot het aanwijzen van een zondebok wordt in de evangeliën radicaal afgesneden. Er is niemand aan wiens vingers geen bloed kleeft. Allemaal hebben we, als het er op aankomt, vuile handen en boter op ons hoofd.

Maar wat zou daar nu de aanleiding voor kunnen zijn geweest, dat Judas begonnen is met Jezus over te leveren? Wat heeft zich in zijn binnenste aan overwegingen afgespeeld dat hij tot deze daad gekomen is? Is dat inderdaad te wijten aan de verradersmentaliteit die hem altijd weer wordt toegeschreven, of zou er nog iets heel anders in het spel kunnen zijn?

Toegegeven, wij kunnen niet meer in zijn ziel kijken, alles wat wij te berde brengen is hooguit een poging tot reconstructie van wat zich toen heeft afgespeeld, maar toch: het is volgens mij een misverstand om te menen dat Judas met Jezus gebróken zou hebben en hem uit kwaadheid voor een hoge beloning aan de leidslieden heeft overgeleverd. Dan zou hij niet, nog vóór Jezus' dood, uit berouw zijn beloning hebben teruggegeven en vervolgens zelfmoord hebben gepleegd. Zo gedraagt iemand zich niet die alleen maar uit is op geldelijk gewin. Daarvoor is deze reactie veel te emotioneel. Er moet dus iets heel anders bij Judas hebben meegespeeld om tot deze daad te komen.

Het is niet onwaarschijnlijk dat hij op een zeer fanatieke wijze geloofd heeft in Jezus' Messias-zijn, en dat hij nu de gelegenheid wil creëren waarop Jezus ten langen leste zal laten zien dat hij korte metten maakt met de Romeinen en met allen die hun macht ten kwade gebruiken. Hij wil Jezus als het ware pressen om nu toch eindelijk eens te laten zien wie er wérkelijk de touwtjes in handen heeft. Alleen van daaruit is het te begrijpen dat Judas volstrekt ontgoocheld is als blijkt dat Jezus zich tegen zijn overlevering in het geheel niet verzet. Alleen van daaruit wordt zijn diepe wanhoop invoelbaar die geen andere uitweg ziet dan zichzelf de das om te doen. Als Judas uit pure berekening had gehandeld, zou hij nooit ten prooi zijn gevallen aan de grote ontreddering die hem in de evangeliën wordt toegeschreven.

Judas heeft zich vergist in de wijze waarop Jezus invulling gaf aan het Messias-schap. En ook daarin betoont hij zich nadrukkelijk één van de twaalf. Want uiteindelijk blijkt dat ze geen van allen Jezus hebben begrepen en hem gewoon laten barsten als zijn glorieuze intocht in de stad verandert in zijn tegendeel. Ook zij verwachtten, net als Judas, een sterke man die weleens zou laten zien wie er de baas is, en niet iemand die gedreven door de liefde alles dragen wilde en zó de sterkste bleek te zijn. Als het er op aankomt, blijkt dat niemand iets van Jezus begrijpt. De discipelen niet. De leidslieden van het volk niet. De Romeinen niet. Niemand. Als er al sprake is van schuld, dan treft die ons allemaal!

Maar ondertussen viert Jezus met alle twaalf de discipelen de feestmaaltijd ter gedachtenis van de uittocht uit Egypte. Niemand in het bijzonder wordt van de deelname daaraan uitgesloten, hoewel Jezus natuurlijk best wel weet wat er zich aan die tafel allemaal afspeelt. ‘Een van jullie die nu met mij eten, zal mij overleveren’, zegt hij. Maar hij noemt geen naam. En geschrokken antwoorden de discipelen: ‘ben ik het soms, Heer?’ Eén van hen zal het zijn die Jezus overlevert, maar uit de reactie van de discipelen valt op te maken dat zij het in principe allemaal kunnen zijn. Niemand is wat dat betreft helemaal zeker van zichzelf. Judas staat in zijn handelen niet los van de anderen. Hij blijft een van de twaalf.

Dat is trouwens ook het geheim van de christelijke gemeente. Ook dat is niet een verzameling van supergelovigen op wie niets valt aan te merken, integendeel: wij zijn net zulke brekebenen als die eerste twaalf die Jezus om zich heen verzamelde en bij hem aan tafel zaten, maar wij mogen ons desondanks, net als zij, aanvaard weten. In de taal van de dogmatiek heet dat: de rechtvaardiging van de goddeloze. U en ik: wat er ook allemaal aan ons kleeft, alles wat niet in overeenstemming is met het leven zoals het bedoeld is, het mag ons niet verhinderen om bij Jezus te horen en deel te nemen aan de maaltijd van de Heer, het feest van de bevrijding uit alles wat ons neerdrukt en gevangen houdt in het land van de angst.

Na de maaltijd piept Judas er stilletjes tussenuit, om even later – Jezus is dan inmiddels naar Getsemané vertrokken om daar te bidden – terug te komen, in het gezelschap van een groep bewapende soldaten. En nadat hij Jezus, zoals afgesproken, begroet heeft met een kus, grijpen de soldaten hem. Het is een aangrijpend moment. Jezus wordt verraden door een van zijn leerlingen. Judas, een van de twaalf is het, die hem overlevert aan de Romeinen. Het verraad komt van binnenuit, vanuit de kleine kring van zijn intimi. Als een dolkstoot in de rug, zo voelt het. En waar het uiteindelijk toe leidt, is de dood van Jezus aan het kruis. Het is het gruwelijk einde van een mens die consequent zijn eigen weg gegaan is, ook toen hij in de gaten kreeg dat die weg wel eens ten dode zou kunnen voeren. Als dat zijn weg zou moeten zijn, ja, dan moet het maar. In Gods naam. ‘Mij dorst’, zegt hij, met het laatste beetje adem dat hij nog tot zijn beschikking heeft, ‘mij dorst’. En de soldaten reiken hem een spons vol azijn aan, op een hysopstengel. Het zijn ook zo ongeveer zijn laatste woorden, voordat hij met een luide schreeuw de geest geeft.

Judas is er dan al niet meer bij. Als enige van hen die Jezus overleverden, kreeg hij berouw van zijn daad toen hij zag dat het anders liep dan hij gehoopt had. Door het teruggeven van zijn beloning wilde hij zijn daad alsnog ongedaan maken. Maar het kwaad was reeds geschied. Het is niet meer terug te draaien. Alles was al in gang gezet om de kruisiging van zijn leermeester te voltrekken. Judas is de wanhoop nabij, nu hij ziet wat hij heeft aangericht en wat er met Jezus staat te gebeuren. Dit heeft hij zo nooit bedoeld. En nog vóór de consequentie van zijn daad, de kruisiging van Jezus, zijn beslag heeft gekregen, is er voor hem geen leven, geen toekomst meer. Vindt hij. Voor zijn daad is geen vergeving. Dit is nooit, nóóit meer goed te maken. En hij gaat heen en verhangt zich.

Dat is pas echt de tragiek uit het leven van Judas: dat hij aan God wanhoopte. De tragiek van het leven van Judas is dat hij zich van het leven beroofde omdat hij niet kon geloven in de vergeving en de verzoening. Zozeer stelde hij zijn eigen zelfveroordeling centraal, dat het licht van de genade van Godswege hem niet meer kon bereiken. Van God uit gezien was zijn tragisch levenseinde niet nodig geweest. Voor God was en bleef hij nadrukkelijk één van de twaalf, een brekebeen, net als die andere elf die er op het beslissende moment niet waren, maar tóch gerechtvaardigd waren. Judas geloofde meer in zijn eigen onvermogen dan dat hij geloof hechtte aan de liefde en trouw van de Eeuwige. Maar Goddank is onze schuld niet het laatste. Wij mogen weten van een goddelijk geduld, een liefde die ons draagt. Tegen de klippen op. En daarom, wie wij ook zijn, en wat ons ook kwelt of dwarszit, alles wat ons kleinmaakt en ons zelfvertrouwen knakt, voor God zijn wij desondanks gerechtvaardigd en eindeloos de moeite waard. Net als die twaalf van toen.

Amen.


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2021 PKN Anloo - Zuidlaren