03-01

Schriftlezingen: Jesaja 60: 1-6 en Matteüs 2: 1-12

‘Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer’.

Gemeente, ook al weet je in het ge­heel niet waar deze woorden over gaan, tóch voel je: dit is mooi, deze woorden tillen je op uit wat je neerdrukt en brengen je aan het licht. Er gaat iets van uit. Een stra­lend begin van het nieuwe jaar. Dat belooft wat, na alle beperkingen die ons leven het afgelopen jaar opgelegd heeft gekregen en waar we nog middenin zitten. Maar om deze woorden goed te kunnen verstaan, dienen wij ons wel te realiseren dat Jesaja het hier niet over ons heeft en niet over onze tijd, maar over de stad Jeruza­lem. Daarover straalt het licht van de Heer en de volken der aarde komen van verre om in dat licht te delen. Maar op het moment dat Jesaja deze woorden uit­spreekt, lijken ze helemaal los te staan van de rea­liteit. De profeet spreekt over een licht dat opgaat over Jeru­zalem, terwijl de stad in puin ligt, ver­­ruï­neerd is. Historisch onder­zoek toont aan dat we deze woorden moeten dateren zo rond het jaar 538 voor Christus. Vijftig jaar eer­der had de Babylonische koning Nebukad­nessar het gebied van Ju­dea en Je­ruzalem, de heilige stad, mét de tempel vernietigd en grote delen van de bevolking gede­por­teerd naar Babylon. Deze ‘Ba­by­lonische balling­schap’ betekende voor de Joden zo ongeveer het ein­de van al hun verwachtingen, zo­wel in religieus als in so­ci­aal-maatschap­pelijk opzicht.

Inmiddels is er in de tijd dat Jesaja deze woorden uitspreekt, het nodige veranderd. De Perzen had­den de macht in de regio van de Babyloniërs overgenomen en hun koning Cyrus be­paalt dat de Joden weer terug mogen keren naar Israël. Een grootse verwachting herleeft, alles lijkt ten goede te keren. En het is in die euforie dat Jesaja een licht over Jeruzalem ziet opgaan. Hij ziet in deze wen­ding ten goe­­de de hand van God, die een keer brengt in hun lot. Ook al mogen de teruggekeerde bal­lingen dan in eerste instantie slechts een puinhoop aan­tref­fen, voor Jesaja schijnt daar doorheen reeds het licht van het nieuwe begin dat hier ge­maakt wordt. Hij ziet méér dan wat voor ogen en voor handen is. Hij ziet wat God en mensen samen kunnen doen met wat voor ogen en voor handen is, hoe zij die puin­hoop kunnen her­scheppen tot een stad, een land van vrede en recht, waar je met elkaar het goe­de van het leven weer kunt proeven.

Wie de verzameling boeken leest die samen de heilige Schrift vormen, ontdekt dat het daarin nooit he­lemaal hopeloos wil worden. En dat kan ook niet anders. Wie in zijn leven de aanwe­zig­heid van de Eeu­wige heeft leren ontdek­ken, zal daaraan op moeilijke momenten het ver­trouwen durven ontlenen dat er ook weer andere tijden ko­men. En dat geldt ook voor de ge­schiedenis als geheel. Door alles heen, alle duister, alle onzin, door alles heen loopt voor wie het zien wil een spoor van licht. Die woor­den van Jesaja zijn geen goedkope ‘peptalk’, maar ze zijn gebaseerd op de wetenschap van het ge­loof, het verworven levensinzicht, dat God niet laat varen het werk van zijn handen. Soms lijkt dat on­zin, om­dat je er op dat moment niets van ziet, maar wanneer je je blik de ruimte geeft en je niet blind­staart op alleen het nu, dan kan er een besef ontstaan dat er door de tijden heen een kracht is die al­les ten goede wil leiden. Hoe dan ook. Maar je moet je er dus wel voor open willen stellen.

‘Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer’, zegt Jesaja in zijn tijd. Woorden waarmee hij zijn tijdgenoten moed inspreekt en voedt met vertrouwen. Hoe donker het mis­schien ook geworden is, ook in je eigen leven, het wordt tóch altijd weer licht. Jeruzalem, de stad van Gods dromen, zal weer gaan bloeien als een roos. Dat is het licht dat Jesaja in zijn tijd zag opgaan. En hij wordt haast euforisch als hij zich voorstelt hoe dat straks vorm zal krijgen. ‘Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijn­sel. Een vloed van ka­melen zal je land overspoelen. Van heinde en ver zullen ze in groten getale komen, beladen met wierook en goud en ze verkondigen de roemrijke daden van de Heer.’

De evangelist Matteüs heeft zich door dit eeuwenoude visioen van Jesaja laten inspireren toen hij zijn ver­haal over de ge­boorte van Jezus schreef. In de weg die dit kind later als vol­wassene door het leven ging, zag hij het licht voor alle volken opgaan. En daarom laat hij bij zijn geboorte een ster stralen die die koningen hun huis en haard in het oosten doet verlaten om hem hulde te bewijzen. Ze zadelen hun kamelen en beladen met wierook en goud ver­trek­ken ze in de richting van dat stra­lende licht dat hen wenkt in de verte. Want het bericht van zijn geboorte is groot nieuws voor heel de wereld, voor Israël en de volken. Dit gaat de grenzen van het kleine Israël te buiten. Dit is nieuws dat iedereen aan­gaat!

Kan dat wel, wat Matteüs hier doet? Kun je zomaar die link leggen tussen deze oude profetie van Je­saja en de geboorte van Jezus? Doe je daarmee de intenties van Je­saja wel recht? Dat hangt er maar van­af. Als Matteüs ermee zou bedoelen dat het licht waarvan Jesaja spreekt, rechtstreeks naar Jezus ver­wijst, dan doet hij Jesaja natuurlijk geen recht, want de profeet heeft het over het nieuwe begin dat God met Je­ru­zalem zal maken. Op die wijze kan het dus niet. Maar als hij ermee bedoelt dat deze profetie over Je­ru­zalem ver­beeldt hoe God in alle tijden steeds opnieuw het licht doet over­winnen en dat dat wel heel glan­zend aan het licht is geko­men in het leven van Jezus, dan is er denk ik niets mis mee.

Interessant is dan wel wat Matteüs verder met die profetie doet. Jesaja vertelt hoe die konin­gen hun ka­me­len beladen met goud en wierook. Een motief dat Matteüs van hem over­neemt. Daar kan hij wel wat mee, immers: goud staat symbool voor rijkdom, macht en aan­zien. Dat kan hij goed op Jezus toe­passen. Want dit is niet zomaar een kind, dit is een ko­nings­kind van Godswege. Hem zal gegeven wor­den alle macht, in hemel en op aar­de. Daar­om zal goud een van de geschenken zijn die ze dit kind zullen geven. En dat ze daar wierook aan toevoegen, is ook zo gek niet. Want wie­rook staat symbool voor overgave en ge­bed. Dit kind zal zijn macht niet ten eigen bate aanwenden, maar alleen in over­gave aan de Eeuwige. Het zal een die­naar zijn van God en de mensen en de weg wijzen naar een le­ven dat echte vervul­ling en voldoening geeft.

Maar... dat zal geen makkelijke weg zijn, weet Matteüs. Hij heeft het in Jezus zien gebeuren: wie licht ver­­spreidt, krijgt het duister als tegenstander. Wie opkomt voor vrede en gerechtig­heid, vindt de onrecht­vaardigen en de cynici tegenover zich. Ook het licht dat Jezus bracht, wordt bedreigd door het duis­­ter. Niet alleen in het holst van de nacht van het jaar, iedere dag van het jaar heeft het licht het koud’, zegt de dichter Hans Andreus, de dichter van het licht. De weg naar het heil, naar het licht dat God voor ons bestemd heeft, die weg gaat door con­troverse en strijd, door tegenspraak en tegen­werking, door val en opstanding, ja, door de dóód heen. Jezus, hij zal eraan kapot gaan, aan zijn strijd voor het heil van de mensen. Het zal hem zijn leven gaan kosten.

En daarom voegt Matteüs als derde geschenk dat de koningen Jezus geven, nu nog mirre toe. Olie die naar liefde geurt en waarmee zijn lichaam straks ge­­bal­semd zal worden. Vlak voor zijn dood zal Jezus door een vrouw worden gezalfd met mirre, met het oog op zijn be­grafenis. En ook de vrouwen die naar zijn graf gaan, hebben mirre bij zich. De weg van dit ko­ningskind zal uitlopen op een lijdens­weg. Het zal niet goed met hem aflopen, maar het kan niet anders. Daarom voegt Matteüs als derde geschenk dat de koningen Jezus geven, mirre toe. Over de kribbe valt hier al de schaduw van het kruis. Hij zal zijn weg tot in de diep­ste diepte moeten gaan, om zo aan het licht te brengen dat wij tot in de diepste diepte van ons leven nooit uit Gods ogen zijn. Want Matteüs weet dat achter het duister levenseinde van dit kind in de kribbe het niet te doven licht van Gods genade opnieuw over hem zal op­gaan.

Het wil in het verhaal van God met de mensen hoe dan ook nooit echt hopeloos worden. Waar wij soms de neiging hebben het laatste woord te geven aan onze ervaringen met het duister en ons niet meer durven open­­stellen voor het licht, daar roepen Jesaja en Matteüs ons op vertrouwen te hebben op de God van het licht, die altijd weer wegen weet waar wij denken vastgelopen te zijn en niet meer ver­der te kunnen. Ook aan het begin van dit nieuwe jaar klinken die aloude woorden: ‘Sta op en schit­ter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer’. Een mens mag zich in Jezus’ voetspo­ren gaan­de­weg ontwikkelen tot een kind van het licht en zich voorgoed geborgen weten in de liefde van de Eeu­wige.

Amen.


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2020 PKN Anloo - Zuidlaren