25-12

Schriftlezingen: Lucas 2: 1-20, Titus 2: 11-14 en Galaten 4: 4-7

Gemeente!

Daar ligt hij in de kribbe. Het kerstkind. De zoon van Jozef en Maria. Die genoemd wordt: Jesjoe, Jezus, zoon van David, zoon van mensen, zoon van God. Zomaar een paar titels die dit kind later werden toebedacht, als resultaat van een gelovige bezinning op het geheim van zijn leven – een geheim dat blijkbaar zo groot is dat het onmogelijk onder één noemer kan worden gebracht. Wie de evangeliën leest, doet de ontdekking dat Jezus op allerlei verschillende manieren wordt aangesproken en afgebeeld. Lucas schildert hem als een nieuwe David, die als herderskind in een stal geboren moet worden, omgeven door herders van het veld. Matteüs roept door zijn vertelling van de vlucht naar Egypte het beeld op van Jezus als de nieuwe Mozes die zijn volk vanuit de verdrukking voorgaat op de weg naar het beloofde land. En Johannes doet een geslaagde poging om hem te portretteren als de nieuwe Adam, de mens zoals hij oorspronkelijk door God bedoeld was. Maar daarnaast zijn er zoveel andere termen waarmee Jezus in de evangeliën of door de latere christelijke traditie wordt aangeduid: heiland, licht der wereld, weg ten leven, lam Gods, koning der joden, middelaar, ach, noem ze allemaal maar op. Over het geheim van deze mens kun je gewoon niet eenduidig spreken. Geen enkel beeld is op zich voldoende om alle facetten van zijn persoon onder woorden te brengen.

‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ zal Jezus straks zijn discipelen vragen. ‘Elia’, antwoorden ze, ‘of Johannes de Doper, of één van de profeten.’ Allemaal antwoorden dus die deze mens in verband brengen met de wereld van God, zonder hem ergens in het bijzonder op vast te pinnen. De ene titel is niet meer of minder dan de andere. ‘Maar jullie’, zegt Jezus dan, ‘wie zeggen jullie dat ik ben?’ ‘U bent de Christus’, zegt Petrus, ‘de zoon van de levende God’. En daarmee noemt hij de term die tot op de dag van vandaag als de meest gangbare wordt beschouwd om het geheim van het leven van Jezus onder woorden te brengen. Hij is de zoon van God.

Maar wat wil dit nu zeggen? Het valt mij altijd weer op dat vrijwel niemand in staat is uit te leggen wat deze term betekent. Daar komt nog bij dat het verhaal van zijn maagdelijke geboorte het geheel niet bepaald duidelijker maakt. Al met al is Jezus geworden tot een wat onaantastbare en bovenmenselijke figuur, een sprookjesachtige gestalte die ergens tussen hemel en aarde rondzweeft. Iemand die zeker geen last kan hebben van alle twijfels en onzekerheden en verdrietigheden die het gewone leven soms zo moeilijk kunnen maken. Jezus dus als iemand aan wie alle menselijks vreemd is. In de voorstelling die veel mensen van hem hebben, wist hij alles wat hem zou overkomen al van tevoren. Hij was immers God. Als kind in de kribbe wist hij bij wijze van spreken al welke weg hij later zou moeten gaan. En hij beschikte over een kracht en een moed waar gewone stervelingen niet aan kunnen tippen. Resultaat van deze denkwijze is dat Jezus als mens van vlees en bloed steeds verder van ons af is komen te staan. Zozeer zelfs dat sommigen het als godslasterlijk ervaren om bij dat menselijke aspect van zijn leven wat langer stil te staan. En toch moet juist dat diep-menselijke van Jezus voor de eerste christenen de aanleiding zijn geweest om hem als ‘zoon van God’ aan te duiden. En ik zal u vertellen waarom.

U moet namelijk weten dat die term ‘zoon van God’ in Israël al veel langer bestond – het is geen christelijke uitvinding geweest. Oorspronkelijk was het zelfs een aanduiding voor het volk Israël als geheel. In Exodus 4:22 lezen we: ‘Dit zegt de Heer: Israël is mijn eerstgeboren zoon’. Daarop aansluitend kan de profeet Hosea zeggen: ‘Toen Israël nog een kind was, had ik het lief; uit Egypte heb ik mijn zoon weggeroepen’. (11:1) En in Deuteronomium 14:1 lezen we: ‘U bent kinderen (letterlijk: zonen) van de Heer uw God’. Het volk Israël is dus als het ware het troetelkind van deze God. Hij geeft het al zijn zorg en liefde. ‘Zoon van God’ duidt derhalve op een heel bijzondere verbondenheid met deze God, die Israël gestalte zal moeten geven onder de mensen door een leven in gehoorzaamheid aan wat hun uit den hoge geopenbaard is.

In deze zelfde betekenis wordt later ook de koning in Israël ‘zoon van God’ genoemd. Van de nazaat die David verwekt, wordt gezegd dat God hem als zijn zoon beschouwt: ‘Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon’ (2 Samuël 7:14). En ook Psalm 2:7 – door de oude kerk uitgekozen als intochtslied voor de kerstnacht – ook Psalm 2:7 spreekt op soortgelijke wijze over de koning: ‘Hij sprak tot mij: jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt’. De koning is degene die zijn volk moet voorgaan in gehoorzaamheid aan God, opdat de beoogde gerechtigheid voor allen gerealiseerd kan worden.

Op die manier fungeerde in Israël de term ‘zoon van God’. Het gaat daarbij dus niet zozeer om een lichamelijk vaderschap van God, maar meer om een geestelijk vaderschap van God. De ‘zoon van God’ is op een gewone menselijke wijze verwekt, maar geeft in zijn doen en laten blijk van een diepe verbondenheid met de wereld van God. Zo iemand is als het ware kind aan huis in de geheimen van de God van Israël. De verhalen die ons vertellen van Jezus’ maagdelijke geboorte willen dan ook niet vertellen dat Jozef bij zijn verwekking geen rol heeft gespeeld, maar wél dat dit kind van Jozef en Maria samen bestemd is om Gods geschiedenis met de mensen een volstrekt nieuwe wending te geven. Zijn geboorte is net zo gewoon geweest als de geboorte van ieder van ons. En zijn geboorte is net zo wonderlijk geweest als de geboorte van ieder van ons. Zoals de dichter Michel van der Plas het ergens zegt:

Iets aan een kind heeft vleugels:
of het van boven kwam;
of het de ziel van een engel
mee naar de aarde nam;
of het, hier neergestreken,
natrillend van zijn vlucht,
ons een groet kwam brengen
uit de hemelse lucht.

Ieder mens is naast een kind van zijn ouders ook een kind van God. Met een eigen bestemming, een eigen levensopdracht, die het gaandeweg zal moeten ontdekken. Maar wat dit kind van vandaag zo bijzonder maakt, is dat het zich al heel vroeg geroepen voelt om dat ‘zoon van God zijn’ in zijn eigen leven gestalte te geven. Het leeft vanuit een diepe en niet te schokken verbondenheid met God, die het als zijn Vader beleeft. En het moet zijn vurigste wens geweest zijn om die vertrouwelijkheid van vader en zoon op zijn tijdgenoten over te brengen. Zo’n omgang met het Goddelijk mysterie zou onvermoed positieve krachten in mensen kunnen losmaken die hen dichter tot elkaar en tot zichzelf zouden kunnen brengen. In die Godsbeleving ligt het vertrouwen van Jezus besloten dat het met ons mensen echt iets worden kan. Van die hoop is hij vervuld geweest. Maar naarmate hij zich meer als zoon van God manifesteerde, bleek hoe zwaar de opgave was die hij zich gesteld had. Onvermijdelijk kwam hij door zijn opvattingen in conflict met de gevestigde machthebbers en met de gevestigde geestelijkheid. Maar hij kon niet anders. En hij wilde niet anders. Hij moest en zou die weg gaan, tot de dood erop volgde. Maar hij vertrouwde erop dat zijn Vader hem door de dood heen zou halen. En het verhaal gaat dat hij daar terecht op vertrouwd heeft. Zijn Vader heeft zich over hem ontfermd. Op die diep-menselijke wijze heeft Jezus laten zien wat het is om zoon van God te zijn. Wat het is om kind aan huis te zijn in de wereld van Gods geheimen.

Deze joodse voorstelling van het begrip ‘zoon van God’ is dus heel anders dan onze gangbare voorstelling daarvan. De westerse cultuur waarin wij leven en die gebaseerd is op de Grieks-Romeinse beschaving, leert ons bij ‘zoon van God’ aan iets bovenmenselijks te denken. Jezus wordt dan een heel bijzondere godenzoon, die niet in onze werkelijkheid valt in te passen. Maar wie deze term op joodse wijze leert verstaan, zal ontdekken dat het hierin juist gaat om het realiseren van een bij uitstek menselijke mogelijkheid. Jezus wordt dan iemand die ons tot het échte leven opwekt en de weg daar naar toe wijst. De aanduiding ‘zoon van God’ is zo een symbool van de goddelijke krachten en mogelijkheden die in ons sluimeren en erop wachten om uit de slaap gewekt te worden. Het zoon van God zijn van Jezus mag aanstekelijk en inspirerend op ons, kinderen van God, inwerken. In die geest schrijft Paulus later aan de Galaten: ‘Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij de aanneming tot zonen zouden ontvangen. U bent dus geen slaaf meer, maar een zoon!’

Jezus heeft ons door zijn levensweg willen bevrijden uit ons aangeprate en aangeleerde onvermogen en ons tot zonen van God willen maken, vrouwen en mannen samen. Allemaal zijn wij kinderen van God. En dat appél op onze diepste mogelijkheden moeten wij ons door niemand meer uit handen laten slaan, want anders vallen we terug in een kleinheid en een zelfverminking die niet bij ons passen. Dan leven wij alsof het nooit kerst is geweest.

Dat wij deze kerst door Jezus, met hem en in hem, zonen en dochters van God zullen worden, opnieuw geboren, voor altijd.

Amen.


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2020 PKN Anloo - Zuidlaren