04 augustus

Schriftlezing: Lucas 11: 1-13

Gemeente!

Over het bidden hebben wij het vanmorgen. ‘Heer, leer ons bidden!’ vragen de discipelen aan Jezus. Kennelijk leeft die vraag ook bij velen onder ons, want deze week op huisbezoek kwam het geregeld ter sprake. Mensen hadden in Samenklank gelezen dat ik het daar vandaag over zou hebben en waren geïnteresseerd in wat ik erover ging zeggen. Want bidden is minder eenvoudig dan het lijkt. Je kunt wel geregeld je handen vouwen en je ogen sluiten, maar dat wil nog niet zeggen dat je er ook daadwerkelijk iets aan beleeft. Maar kennelijk kun je het dus wel léren: ‘Heer, leer ons bidden!’ En vervolgens leert Jezus hen dan de woorden van het Onze Vader – het gebed bij uitstek. Het lijkt wel alsof Jezus zegt: als je die woorden nu maar geregeld, een paar keer op een dag bijvoorbeeld, herhaalt, dan komt het wel goed met dat bidden van jou. Alsof bidden hetzelfde zou zijn als een braaf uit je hoofd geleerd lesje. Alsof daarmee alle gerechtvaardigde vragen die je erbij hebt, zouden zijn opgelost. En alsof het daarmee iets van jezelf zou zijn geworden, een onderdeel van een spiritualiteit die heel je leven draagt. Eerlijk gezegd komt het ons wel heel simpel voor.

Maar toch: ik zou er een lans voor willen breken om toch maar gewoon aan die woorden van Jezus gehoor te geven. Wie wil leren bidden, die zal zich eerst de woorden van het Onze Vader eigen moeten maken. Zelfs al heb je misschien het gevoel dat je vragen daarmee niet serieus genomen worden. En al ben je diep in je hart eigenlijk van mening dat het afbreuk doet aan het spontane geïmproviseerde gebed, dat stem geeft aan wat jou persoonlijk op dit moment beweegt en beroert. Want juist dat spontane kan verdwijnen als je eens wat minder geïnspireerd bent of wellicht last krijgt van een zekere scepsis als je de vraag toelaat of die woorden van jou ook daadwerkelijk gehóórd worden. Je kunt dan zo verlamd raken dat er van bidden niets meer terecht komt. Maar bidden, zegt Jezus, bidden is ook gewoon een stukje dagelijkse discipline dat je erop nahoudt om je geloof in beweging te houden. Daarom moet het niet afhankelijk zijn van wat jij op een bepaald moment voelt en al of niet tegenover God wilt uitspreken, maar het moet deel uitmaken van een dagelijks ‘trainingsprogramma’ waarmee je je geloofsleven op peil probeert te houden.

Godsdienst, gelóóf, bidden, je moet het oefenen. De meesten van ons komt het niet zomaar ‘aangewaaid’. En met het oog daarop is het helemaal niet verkeerd om oefeningen te doen rond vaststaande teksten die na verloop van tijd in jezelf geïntegreerd kunnen raken, een déél kunnen worden van jezelf. Zodanig, dat je er je eigen teksten omheen kunt gaan maken. Vergelijk het met een concertpianist. Die zal bij het spelen van grote meesterwerken echt niet het gevoel hebben dat hij maar wat aanrommelt, omdat de muziek die hij speelt niet door hemzelf is geschreven. Integendeel: hij zal er zijn muzikaliteit alleen maar door versterken als hij die meesterwerken op de juiste wijze leert spelen. Zéker wie geen al te groot musicus is, loopt al improviserend gauw dood op de grenzen van zijn eigen creativiteit: hij begint zichzelf te herhalen en merkt dat hij niet verder komt. Wil je groeien als musicus, je talent ontwikkelen, dan zul je dóór het werk van anderen heen moeten om uiteindelijk zelf iets goeds tot stand te brengen. En waarom zou deze ervaringsregel ook niet gelden voor zoiets als het gebed: je ademt de teksten van anderen in, zodanig dat het je na verloop van tijd helpt aan een stukje hoogst eigen spiritualiteit.

Wie wil leren bidden, zegt Jezus, die doet er daarom verstandig aan om zich eerst de woorden van het Onze Vader eigen te maken. Dat is leerboek nummer één bij de ontwikkeling van een gezond en authentiek gebedsleven. Het hóeft niet direct helemaal spontaan uit jezelf te komen. Je mag woorden van een ander gebruiken, in dit geval woorden van Jezus. En Jezus heeft die woorden ook weer niet helemaal van zichzelf, maar heeft ze op zijn beurt weer aan gebeden uit de joodse traditie ontleend. Wij bouwen altijd weer voort op wat wij van anderen hebben ontvangen. En het leuke van het model dat het Onze Vader biedt, is dat het gelijk al een antwoord geeft op de vraag die wij onszelf het meeste stellen wanneer het om bidden gaat, namelijk: wordt dat gebed van ons wel gehóórd? Want dat is toch wat wij ons altijd weer afvragen: die woorden die wij uitspreken, lánden die ook nog ergens of kletsen wij al biddend maar wat in de ruimte?

Het merkwaardige is dat de vormgeving van het Onze Vader duidelijk maakt, dat die vraag niet van wezenlijk belang is. Voor veel mensen is de functie van het gebed dat wij God proberen te interesseren voor onze belangen. Hij moet doen wat wij aan Hem vragen. Daarom is het belangrijk dat Hij naar ons luistert. En als Hij níet zou luisteren, dan heeft bidden ook geen zin, redeneert het gros van de mensheid. Maar wie goed naar de tekst van het Onze Vader kijkt, ziet dat dit gebed niet begint bij onze vragen aan God, maar dat het start bij de heilsplannen van God die richting moeten geven aan ons eigen leven. Het begint niet bij ‘geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben’, maar bij: ‘laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden’. Bidden is daarom veelmeer: God in jezelf tot leven wekken. Geïnteresseerd raken in wat God hier en nu van je vraagt. Ontdekken wat je verantwoordelijkheid van dit moment is, in het vertrouwen dat je gedragen wordt en kracht zult krijgen als je je naar eer en geweten inzet voor wat op je weg komt.

Veel mensen beleven bidden als het opsturen van woorden naar een hoger wezen boven ons, in de hoop dat die de zaak zal klaren zonder dat wij zelf een hand hoeven uit te steken. Maar in het gebed dat Jezus ons geleerd heeft komt de vraag die wij naar boven opzenden, gelijk op ons eigen bordje terug. Ergens voor bidden betekent onmiddellijk: wat kun je er zelf aan doen? Wie bidt, ontdekt wat hem te doen staat en mag zich staande voor Gods aangezicht realiseren dat die eeuwige Bron van kracht en moed hem geven zal wat hij nodig heeft. En voor wie zó bidt, is de vraag of zijn of haar gebed verhoord wordt, niet echt relevant meer. God weet wel wat wij nodig hebben en Hij zal het ons heus wel geven wanneer Hij dat voor ons welzijn van belang acht. Daar hóeven wij Hem zelfs niet eens om te vragen. Maar wat wél voor Hem telt, is dat wij ontdekken waar onze inzet nodig is én dat we het lef zullen hebben om te doen wat gedaan moet worden.

En toch... dit alles gezegd hebbende moeten wij toch ook erkennen dat er situaties zijn waaraan wij niets kunnen doen. Situaties, waar wij machteloos tegenover staan. Toch bid je: God, geef vrede in het Midden Oosten en op al die andere schroeiplekken en brandhaarden in de wereld; laat er verdraagzaamheid mogen zijn onder de mensen; wees met de talloze slachtoffers van al het onheil dat steeds weer mensen treft; waak over wie ons lief zijn. Wij spreken deze beden uit, omdat ze stem geven aan onze betrokkenheid bij lief en leed in de wereld om ons heen. En we spreken deze beden uit omdat wij zelf niet bij machte zijn om daar álles aan te kunnen doen. Wij hebben een adres nodig om onze verwondering, onze verbazing, onze verbijstering en bezorgdheid neer te kunnen leggen. Door te bidden voorkomen wij dat we aan ondraaglijke situaties wennen en ze gewoon gaan vinden.

Want dát is het ergste dat kan gebeuren. De macht der gewoonte is één van de gevaarlijkste machten in ons leven. Niet alleen het mooiste went maar al te snel: binnen de kortste keren kan een bepaalde sleur een relatie die zo mooi begon veranderen in een armzalig gepieter. Ook het lelijkste went maar al te snel: als er ergens een ramp gebeurt zijn we de eerste dagen vaak erg betrokken, maar in een van rampen verzadigd bestaan kost het moeite om die betrokkenheid vol te houden. Afstomping ligt in het moderne leven op de loer. Biddend kunnen we ons echter aan deze gevaarlijke macht onttrekken. Verwondering om de mooie dingen die er zijn of die gebeuren tussen mensen, kan ons brengen tot een dankgebed. Verbijstering om de vreselijke dingen die gebeuren mag ons aanzetten tot een niet aflatend smeekgebed. Niet wennen aan de situatie! Dat maakt krachten in je los die je lévend houden, betrokken, sprankelend, zodat de vaart erin blijft en je niet vervalt in een apathische zelfgenoegzaamheid. Door te bidden draag je dus bij aan een gezonde spiritualiteit, die je steeds weer opent voor het leven in al zijn facetten.

Zo mogen wij bij God aankloppen als bij een goede vriend. Als het moet, zelfs midden in de nacht. Misschien wel juist midden in de nacht, want dan is de nood vaak het hoogst. Maar wij zijn welkom. God voelt zich bij ons bestaan betrokken. En Hij verwacht dat we op Hem reageren, Hem deelgenoot maken van wat ons in verrukking brengt zowel als van de verschrikkingen die ons kunnen overkomen. Ons leven voltrekt zich niet buiten zijn bereik. Daarom zegt Jezus: ‘vraag en er zal je gegeven worden; zoek en je zult vinden; klop en er zal voor je worden opengedaan’. En éven lijkt dit op die vorm van bidden waarbij je je woorden naar boven opzendt, in de hoop dat je zult krijgen wat je vraagt. Maar dan besluit Jezus met: ‘Welke vader zonder jullie zal zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal jullie Vader dan niet uit de hemel de heilige Geest geven aan wie hem daarom vragen?’

En daar komt de aap uit de mouw. De Vader geeft uit de hemel, dat wil zeggen: uit die wereld, die sfeer van licht en liefde, van kracht en moed, die ons omgeeft en waarheen wij ons door de woorden van het gebed kunnen opheffen – de Vader geeft ons uit die hemel de heilige Geest, en dan alleen nog maar als we Hem daarom vragen. Als we ons voor Hem openstellen door ons op Hem te oriënteren. Op zijn Wil. Op zijn Koninkrijk. Dat is wat God ons geven wil: Geestkracht. Heilige inspiratie om van ons leven iets moois te kunnen maken én om van de wereld om ons heen iets moois te kunnen maken. Adem van licht en leven. Kracht die het uithoudt onder alle omstandigheden. Wie daar om vraagt en erop vertrouwt dat hij ook krijgt wat hij vraagt, die zal nooit bedrogen uitkomen.

Amen.