09 juni

Schriftlezingen: Handelingen 2: 1-11 en Efeziërs 4: 1-6

Gemeente!

Vandaag is het Pinksteren. Het feest van de uitstorting van de heilige Geest. Maar als ik dat zo zeg, realiseer ik mij tegelijk dat dit voor velen geheimtaal is geworden. Want de heilige Geest is niet alleen voor velen buiten de kerk maar zo langzamerhand ook voor velen binnen de kerk meer een verre vreemdeling geworden dan een nabije bondgenoot. Het overgrote deel van de Nederlanders en zelfs een groot deel van de kerkleden weet niet wat er met Pinksteren nu precies wordt gevierd. Pinksteren is daarmee van alle christelijke feesten het minst bekend en ook het minst populair.

En dat is jammer. Want de Geest is nu bij uitstek het middel waardoor de Eeuwige zijn aanwezigheid onder ons kenbaar maakt. In het groepje dat deze dienst heeft voorbereid, waren wij eerst bezig met de vraag hoe wij zelf de Geest van God zouden omschrijven. En al pratend kwamen wij toen uit bij de formulering dat de heilige Geest dat stukje van God is dat in mensen werkt. Veel mensen kennen de ervaring dat wanneer ze bidden of nadrukkelijk de stilte zoeken, dat ze dan een gedachte krijgen of een stem van binnen horen, die ze toeschrijven aan de heilige Geest. En daarmee wordt die heilige Geest gelijk een stuk minder vaag. De Geest blijkt een bron van kracht, moed en inspiratie te zijn. God zelf mag dan onzichtbaar zijn, in de kracht van de Geest laat Hij zich kennen.

En dat is nu precies wat er met Pinksteren gebeurt. Een stelletje lamgeslagen leerlingen van Jezus krijgt de Geest wanneer zij zich realiseren dat zijn terugkeer naar God niet betekent dat zij nu met lege handen staan, maar dat zij kracht zullen ontvangen om wat Jezus hun heeft voorgeleefd, voort te zetten. In de Geest zal hij in het vervolg bij hen zijn en ze toerusten met kracht en goede moed, zodat ze zich niet verweesd hoeven te voelen nu hij niet meer lijfelijk in hun midden is. Daardoor zullen ze zoveel inspirerende kracht ontvangen, dat ze openlijk van Jezus durven getuigen, dichtbij en ver(der) weg. En zo is het sinds Pinksteren ook gegaan: na dit kleine begin in de kring van zijn leerlingen en vervolgens via talloze andere getuigen heeft de Geest de naam van Jezus en van zijn Vader overal ter wereld bekend gemaakt – en wáár gemaakt – en ondanks alle weerstand gaat dit ook in onze geseculariseerde wereld nog altijd door, tot op de dag van vandaag.

De Geest waait waarheen zij wil. En ze zoekt bij mensen onderdak. En wat er gebeurt met mensen die zich openstellen voor de werking van de Geest, dat wordt heel mooi omschreven in de brief aan de Efeziërs. De heilige Geest geeft niet alleen moed en kracht, maar inspireert ons ook tot een nieuwe levensstijl, waarin wij in het voetspoor van Jezus worden opgeroepen tot een leven dat gekleurd wordt door de liefde. In de eerste hoofdstukken van zijn brief aan de Efeziërs komt de auteur tot de conclusie dat wij er ondanks al onze tekorten en mét al onze tekorten gewoon mogen zijn als mens. In Christus zijn wij verlost en zijn onze zonden vergeven, horen wij in het eerste hoofdstuk. Het bijzondere van het christelijk geloof is dat wij ons niet tot de status van volmaaktheid hoeven op te werken, maar dat wij ons door God in liefde aanvaard mogen weten. En naarmate wij die liefdevolle aanvaarding in ons bestaan durven toelaten, zullen wij ook steeds meer andere mensen worden. Ruimer. Milder. Liefdevoller. Met begrip voor al die anderen, die net als jij ook niet volmaakt zijn, maar er wel mogen zijn als door God geliefde kinderen.

De auteur van deze brief noemt dat de ‘nieuwe mens’, de mens die ontdekt heeft dat er ‘in Christus’ een nieuw bestaan voor hem of haar klaarligt. Uit de dood ben je opgestaan tot het leven. De schrijver van de brief aan de Efeziërs is ervan overtuigd dat wie Gods liefde toelaat in zijn of haar leven, in aanraking komt met die goddelijke levenskracht en een vervulling zal vinden die nergens anders te vinden is. Ook al kan het soms donker worden in je leven, dit licht zal altijd weer overwinnen. Wie daar weet van heeft gekregen, hoeft het donker niet meer te vrezen, omdat hij of zij gevoed wordt door het licht zelf en zelf ook wil stralen als het licht. En de christelijke gemeente is de plek bij uitstek waar die levensstijl van de nieuwe mens wordt geoefend. Daar kom je samen om te luisteren naar de verhalen die worden verteld over Jezus als de grote zoon van Israël en over de geschiedenis die de Eeuwige met zijn volk heeft doorgemaakt. En gaandeweg zul je door het luisteren naar die verhalen worden omgevormd tot die nieuwe mens.

Met het voorbeeld van de nieuwe mens worden wij uitgenodigd om zelf uit het centrum van ons leven te stappen en ons over te geven aan God, erop vertrouwend dat zijn liefde ons draagt, in alles. Het is het begin van een groeiproces, waarin de Geest ons gaandeweg tot andere mensen maakt. De auteur van deze brief vraagt ons dan ook dringend de weg te gaan die past bij de roeping die wij hebben ontvangen: wees steeds bescheiden, zegt hij, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. De bescheidenheid die hier van ons gevraagd wordt heeft alles te maken met zelfkennis, de moed om jezelf onder ogen te durven komen. Het is deze houding die ons ervoor behoedt om onze eigen onderdrukte en verdrongen fouten en gebreken op anderen te projecteren. En dat komt de intermenselijke verhoudingen zeer ten goede. Immers, wie zijn eigen goddeloze en amorele kanten verdringt of ontkent (niets menselijks is ook een gelovige vreemd), die zal deze aspecten vooral bij een ander bespeuren en zich boven die ander verheven voelen en zich ook zodanig gedragen. Maar wie de moed heeft zijn eigen duistere kanten onder ogen te zien en zich desondanks aanvaard weet als kind van God, die zal altijd bescheiden zijn en zich verbindend opstellen.

De tweede houding die hier genoemd wordt, is daar nauw mee verbonden. Zachtmoedigheid of mildheid is een vriendelijke, uitnodigende houding die elke bitterheid vermijdt. Ons woordje ‘mild’ is taalkundig verwant aan het woord ‘malen’. Je zou kunnen zeggen: wie gemalen werd door de molen van het leven kan niet meer hard over anderen oordelen. Hij weet dat alles wat hij bij een ander ziet en waar hij zich mogelijk aan stoort, ook bij hemzelf aanwezig is.

Ook worden wij opgeroepen geduldig te zijn, elkaar te verdragen. Als je je realiseert dat er een groot geduld is dat jou met al je nukken duldt en aanvaardt, dan zou je het kunnen leren opbrengen om met eenzelfde geduld anderen tegemoet te treden. Waar mensen uit dat besef leven, ontstaat een gemeenschap die niemand uitsluit en eenieder die binnenkomt de ruimte gunt die hij of zij nodig heeft. En dat brengt ons bij het vierde punt dat in deze brief aan de Efeziërs wordt genoemd: wie zich openstelt voor wat de Geest in hem of haar kan bewerken, die zal zich door God geliefd weten en daarom ook een ander in liefde kunnen verdragen. Zo kun je elkaar ook in liefde de waarheid zeggen, omdat je weet dat je ten diepste net zo’n brekebeen bent als die ander die je terechtwijst. Het is de Geest die mensen inspireert om nieuwe mensen te worden, geworteld in die Goddelijke liefde die Jezus ons heeft voorgeleefd.

En al is deze brief in de eerste plaats geschreven aan de christelijke gemeente van Efeze, de waarde ervan overstijgt deze kring van gelijkgezinden. Deze woorden hebben haast een universele strekking, die op een positieve wijze kan doorwerken in al onze samenlevingsverbanden: in de politiek, in onze maatschappelijke omgangsvormen, in onze relaties en het gezin waar wij deel van uitmaken. Dat in ons land op dit moment de Stichting Ideële Reclame een spotje laat zien onder de titel ‘Doeslief’, dat komt omdat om ons heen de botheid en de grofheid steeds meer terrein winnen. Want wij zijn best vaak onaardig tegen elkaar. Op straat, op sociale media, in het verkeer, in het openbaar vervoer, op het sportveld en in de supermarkt. Met de hashtag ‘DOESLIEF’ wil SIRE Nederland laten zien hoeveel onaardig gedrag er is, in het groot en in het klein. Jaarlijks wordt 8 % van de medewerkers in het openbaar vervoer bespuugd, 72 % van de weginspecteurs krijgt regelmatig een opgestoken middelvinger te zien, in 2018 waren er 146.571 scheldtweets met het woord ‘kanker’ erin. Door deze campagne wil SIRE oproepen om daar iets tegen te doen. Door tegen alle schreeuwers, schelders, bumperklevers, korte lontjes, asocialen, pestkoppen, herrieschoppers, treiteraars en spugers te zeggen: ‘doeslief’.

Het laat zien hoe actueel die woorden van de Efeziërsbrief nog altijd zijn. En hoe goed het is dat er in onze samenleving in het voetspoor van Jezus een christelijke gemeente is waar mensen met elkaar dat nieuwe, ándere menszijn beoefenen. Een plek waar je leert om op een liefdevolle manier met elkaar om te gaan, waar je elkaar niet afbrandt om een kleinigheid, waar je verscheidenheid als een verrijking kunt zien in plaats van een bedreiging en waar je kritiek niet als negatief beleeft maar als een aansporing om in dat hele groeiproces als mens vérder te komen. Niet dat het er in de christelijke gemeente altijd zo liefdevol aan toegaat, maar het zou idealiter wel moeten. En het zou helemaal geweldig zijn als die woorden uit de Efeziërsbrief niet beperkt blijven tot navolging in de christelijke gemeente. Wat zou het mooi zijn als die nieuwe levensstijl vanuit ons midden een weg vindt naar buiten. Naar de wereld om ons heen. Dat zo de Geest haar werk mag doen en mensen samenbrengt in het besef dat er alleen langs de weg van de liefde en het respect voor elkaar een samenleving kan worden gebouwd.

Amen.

© 2019 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.