• Start
  • Preken
  • Dorpskerk - ds R.J. ten Have

Schriftlezing: 1 Johannes 2:28 – 3:24

Gemeente!

Vandaag lezen wij het derde hoofdstuk van de eerste brief van Johannes. In de voorafgaande twee hoofdstukken hoorden wij hoe de auteur vier basisbegrippen hanteert om zijn inzichten te verduidelijken. Allereerst gaat hij er van uit dat God licht is. En dat niet in de zin van een onbarmhartig en alles verzengend licht, maar eerder een vriendelijk en kwetsbaar licht, zoals het zachte licht van een kaars licht brengt in de duisternis. En ook hoorden wij hoe hoe de auteur ervan overtuigd is dat het menselijk bestaan niet zonder zonde is. Geen mens is immers volmaakt. En wij leven in een onvolmaakte wereld. Daarom moeten wij het allemaal hebben van geduld en vergeving, anders is er geen leven mogelijk. Maar gelukkig mogen wij ons hier steeds opnieuw koesteren in het kwetsbare licht van Gods genade. Zijn liefde omgeeft heel ons leven en vanuit dat vertrouwen mogen wij onszelf en elkaar liefhebben. Dat is het derde basisbegrip dat de auteur in deze brief hanteert. Het is in de liefde dat God zich kennen laat aan al wie naar Hem vraagt. En het vierde basisbegrip wordt gevormd door de wereld. Die wordt enerzijds heel positief gewaardeerd, omdat ze door God geschapen is. En Jezus als het licht voor de wereld wil de mensen deel geven aan het ware leven. Maar langs die lijn ontdekten wij vorige week ook de negatieve bijbetekenis van het begrip wereld, omdat wij maar al te vaak niet aan dat ware leven toekomen doordat er in de wereld ook allerlei machten werkzaam zijn die een beroep doen op onze begeerten en instincten en ons van dat ware leven proberen af te houden.

Nadat de auteur in het voorafgaande dus de vier basisbegrippen licht, zonde, liefde en wereld heeft geïntroduceerd, volgt nu in het derde hoofdstuk van zijn brief een nadere uitwerking van zijn ideeën. Want het mag dan zo zijn dat wij onvolmaakte wezens in een onvolmaakte wereld zijn, dat besef hoeft ons niet neer te drukken en te verlammen. Er zijn mensen die voortdurend stil staan bij hun eigen falen en het niet kunnen hebben dat ze niet perfect zijn, zoals er ook gelovigen zijn die voortdurend benadrukken hoe zondig ze wel niet zijn en niet in staat tot enig goeds. Maar dwars daar tegenin zegt Johannes: ‘bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook’. Woorden waarmee wij worden opgeroepen niet te gering over onszelf te denken. De woorden lijken trouwens verdacht veel op wat in het eerste hoofdstuk van het evangelie van Johannes geschreven staat: ‘wie Jezus als het levende woord van God ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden’. Ook al zijn de geleerden ervan overtuigd dat de auteur van de brief van Johannes een ander is dan de auteur van het evangelie van Johannes, duidelijk is in ieder geval dat brief én evangelie wel moeten stammen uit één en dezelfde bron: waarschijnlijk een johanneïsche gemeenschap ergens in Klein Azië waar men zocht naar woorden om onze relatie met het goddelijk mysterie te doordenken. Dat wij kinderen van God zijn is in die gemeenschap een passende omschrijving geworden van hoe die relatie eruit ziet.

Kinderen van God zijn wij, zegt Johannes. Het klinkt als een soort van geloofsbelijdenis. Met alle stelligheid die daarbij hoort. ‘Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook’. Het zal u niet verbazen dat er Griekse handschriften van de oorspronkelijke tekst zijn, waarin deze vijf laatste woorden ‘en dat zijn we ook’ ontbreken. Kennelijk hebben de overleveraars daarvan gedacht dat dat wel heel erg stellig klinkt. Zó vast staat onze identiteit nu ook weer niet. Maar ik houd de gedachte altijd graag staande. Want er wordt iets in gezegd over het diepste geheim van wie wij zijn. Dat wij kinderen van God zijn, betekent voor mij dat wij zoveel meer zijn dan hoe wij onszelf vaak beleven. Méér in ieder geval dan alleen een kind van mensen. Nooit zijn wij immers alleen en uitsluitend het product van onze ouders. Nooit zijn wij alleen het product van onze omgeving. En nooit zijn wij geroepen om de verwachtingen van anderen waar te maken. Een mens is altijd méér dan de optelsom van menselijke factoren en van alle claims die door anderen op hem of haar gelegd worden. U en ik, wij hebben allemaal iets ‘transcendents’, iets dat het gewone alledaagse overstijgt. Wij zijn er gewoon, en tegelijk moet je zeggen dat het allemaal niet zo gewoon is dát wij er zijn, maar óók een mysterie dat boven zichzelf uitwijst. Wij zijn altijd meer dan wijzelf en anderen denken dat wij zijn, wij vallen niet samen met wie wij nu op dit moment zijn, maar wij zijn altijd onderweg naar wie wij van Godswege mogen worden en ons hart is zo wijd en zo ruim als heel de wereld. Wij groeien de aarde te boven, zegt ergens een dichter. Zo vrij, zo groots, zo waardig mogen wij leven. Geen mens ter wereld heeft het recht om dit zuivere licht van God in ons hart te vertroebelen. En geen mens ter wereld zal ons mogen belemmeren op zoek te gaan naar het leven dat bij ons hoort.

‘Wij worden kinderen van God genoemd’, zegt Johannes, ‘en we zijn het ook’. Dat zijn woorden die het beste in ons tevoorschijn roepen. Het is een aansporing om niet te gering over onszelf te denken, maar vol vertrouwen in het leven te staan en proberen die hoge roeping waar te maken. Dat gaat natuurlijk wel met vallen en opstaan, daarover is Johannes in deze brief heel duidelijk. Geen mens is perfect. Struikelen en vallen horen bij het leven. Maar in dat vallen en steeds weer opstaan mag je ook steeds meer verankerd raken in die jou aangereikte identiteit van het kind van God zijn. En af en toe kom je zomaar echt verder, doe je zomaar, onwankelbaar, toch een paar stappen in de goede richting. En daar groei je van, dat sterkt je in je zelfrespect, dat bevestigt je in je identiteit van het kind van God zijn. Af en toe, zomaar, heb je onomwonden lief, blink je uit in gerechtigheid, sta je zonder mankeren in dienst van de vrede. Af en toe, zomaar, ben je exact wie je wezen moet. En dan fluister je, stamel je, zing je misschien: kind van God, ja, dat ben ik. Goddank! Ik ben meer, kan meer, doe meer dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden...

In de roman ‘De heiligwording van Berthe Ploos’ van Hannes Meinkema wordt beschreven hoe de hoofdpersoon Berthe na een moeilijke periode zichzelf hervindt door de herontdekking van haar geloof. Als baby was ze te vondeling gelegd en vervolgens opgegroeid in een rooms-katholiek kindertehuis. Het was een onveilige omgeving voor een toch al zo kwetsbaar kind, die ertoe leidde dat ze weinig zelfvertrouwen opbouwde en zich heel onzeker voelde. Na haar studie leidde ze steeds meer een teruggetrokken bestaan, in een voormalige fietsenkelder die vol stond met boeken. Tussen heiligen, ketters en kunstenaars voelde ze zich meer thuis dan in de echte wereld. Haar leven lijkt zich steeds meer in de marge af te gaan spelen. Haar gebrek aan zelfrespect en de pijn om de vroegere vernederingen vanwege haar uiterlijk leiden ertoe dat ze zich steeds meer onzichtbaar maakt. Het geloof van vroeger heeft ze verloren, maar tegelijkertijd is ze niet los van God, ze zoekt ergens naar sporen van God in haar leven. Een leven als een gebed: waar bent u eigenlijk? Door een kunstboek dat openvalt bij het zelfportret van een 80-jarige naakte vrouw komt ze op het idee zelf ook naakt voor de spiegel te gaan staan. En door dat te doen overwint ze haar schroom om zichzelf in alle naaktheid onder ogen te komen en ontdekt ze de schoonheid van haar eigen inmiddels niet meer zo heel erg strakke lichaam. Ze leert zichzelf in al haar kwetsbaarheid zien als een kind van God. Ze mag er zijn zoals ze is, omdat er een God is die haar op die manier aanvaardt. Dat is de redding van Berthe, haar heiligwording. Het is het begin van een ommekeer in haar omgang met andere mensen. Langzaam komt zij tevoorschijn uit haar onderaardse souterrain en begeeft zich tussen de mensen. Het blijkt moeilijk genoeg te zijn, maar ze kan het. Ze mag er zijn, als een wondermooi kind van God.

Kinderen van God mogen wij zijn, die hoge identiteit staat vast, is ons gegéven, en tegelijk is het een kwestie van wórden: onze identiteit moeten we ook steeds weer bewijzen. En met dat bewijzen zijn we een leven lang bezig. Soms is het om wanhopig van te worden. Wat kun je zwak staan in de liefde, de gerechtigheid, de vrede. Met het voorbeeld van Kaïn geeft Johannes aan hoe gemakkelijk wij kunnen ontsporen. Er is soms weinig voor nodig om de weg van de liefde te verlaten. Maar dat is volgens Johannes nooit het laatste: ‘als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart, hij weet alles’, besluit de auteur tenslotte dit derde hoofdstuk. En dat klinkt weer heel vertrouwenwekkend. Geheel in lijn met het voorafgaande. In al onze onvolkomenheid mogen wij er zijn. Steeds opnieuw mogen wij opstaan tot het ware leven. En al doende, met vallen en opstaan, mogen wij groeien in menselijkheid en liefde. Kinderen van God noemt Johannes ons. En wij zijn het ook. Wat zou het mooi zijn als wij dat vanmorgen met elkaar durven beamen: kinderen van God zijn wij. Dat heeft niets hoogmoedigs, niets triomfantalistisch. Het is juist heel realistisch. Jezelf accepteren en vieren zoals je God zij dank bent. En weten dat je altijd méér bent dan je bent...

Amen.

Meer artikelen...

© 2017 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.