• Start
  • Preken
  • Dorpskerk - ds R.J. ten Have

Schriftlezing: 1 Korintiërs 2: 1-13

Gemeente!

Op de zondag na Pinksteren sluiten wij de grote christelijke feesten af. Eerst hadden we in december het Kerstfeest, daarna kwam Pasen en het paasfeest werd vorige week weer gevolgd door Pinksteren. Nadat God de Vader ons in zijn Zoon Jezus van Nazaret de weg heeft gewezen naar een menswaardig bestaan, is het de Geest van hierboven die ons wil inspireren om vol goede moed diezelfde weg als hij óók te gaan, op hoop van zegen. In de christelijke traditie zijn de Vader, de Zoon en de heilige Geest daarom altijd gezien als drie aspecten van één en hetzelfde mysterie: de eenheid van het goddelijke, het menselijke en het spirituele. En op deze zondag ‘trinitatis’, de zondag van de drie-eenheid, komt dit alles samen en vieren wij de vervulling van het mysterie dat heel de schepping draagt: Vader, Zoon en heilige Geest.

In het tweede hoofdstuk van de brief van Paulus aan de Korintiërs komen die drie aspecten van het mysterie op een buitengewoon vloeiende wijze aan de orde. In een van zijn preken over dit bijbelgedeelte omschrijft de theoloog Gerrit de Kruijf het goddelijk mysterie dan ook heel treffend als ‘steeds in beweging. God is Vader, Zoon en Geest’, zegt hij. ‘Driemaal dezelfde God, driemaal bezig om ons te zoeken en te behouden’. En dan vervolgt hij met: ‘u mag zich dat best met een beeld voorstellen: God is een vergadering van drie – en het is een vergadering van liefde, een overleg tot behoud, een onvermoeibare bezinning op wat mensen vrede brengt’.

Ik vind het een mooi beeld, al zult u het met mij eens zijn dat hij ook met die woorden blijft cirkelen om een geheim. Iets, dat wij nooit geheel in de vingers zullen krijgen en nooit tot in de kern zullen kunnen beredeneren. Het wezen van God is en blijft een mysterie, ook voor een hoogleraar in de theologie. Wij kunnen er ons door aangeraakt weten, wij kunnen kracht en inspiratie ontvangen die voor ons besef heel duidelijk van ‘elders’ komt, maar wij kunnen nooit exact op formule brengen hoe dat goddelijk mysterie nu precies in elkaar steekt. En eerlijk gezegd hóef ik dat ook niet te weten. Het simpele vertrouwen dat ik mij in al wat mij overkomt gedragen mag weten door een kracht die mijn eigen beperktheid overstijgt, is wat mij betreft genoeg. Ik mag mij gekend weten tot in het diepst van mijn wezen. Maar er zijn en blijven ook nog altijd genoeg raadselen waar ik geen antwoord op heb. Geloof is voor mij dan ook geen antwoord op alle vragen die het leven stelt, maar een diep gevoeld vertrouwen dat ik in alle omstandigheden van mijn leven veilig ben. Geborgen. Wat er ook gebeurt. Meer hoef ik niet te weten.

En ik kom erop, om dit zo te zeggen, omdat ik bij de bestudering van de Griekse tekst van deze brief de ontdekking deed dat het eerste vers van het tweede hoofdstuk op twee manieren kan worden vertaald. Er zijn vertalingen die kiezen voor het Griekse woord marturion, oftewel ‘getuigenis’. Paulus zou het dan hebben over het getuigenis van God. Dat klinkt vrij stellig. Een reden waarom sommigen nog altijd een hekel aan Paulus hebben. Hij weet het allemaal zo goed... Het is zo’n betweter... Maar er zijn ook vertalingen die kiezen voor het Griekse mysterion, dat in diverse andere handschriften te vinden is, en dat betekent: ‘mysterie, geheim’. Het boeiende is nu dat de oude Statenvertaling en de NBG-vertaling kiezen voor het woord ‘getuigenis’, en dat de Nieuwe Bijbelvertaling kiest voor ‘geheim’. En naar mijn idee heeft dat niet alleen te maken met een tijdgeest die inmiddels wat minder stellig is geworden en liever kiest voor het ruimere begrip mysterie dan het wat meer rechtljnige begrip getuigenis, maar ook met het feit dat wij inmiddels veel meer kennis hebben van de tijd en de omstandigheden, de ‘context’ waarin Paulus leefde. Want daarin speelde dat begrip ‘mysterie’ een uiterst belangrijke rol.

In de Grieks-Romeinse wereld van die tijd was religie een wezenlijk onderdeel van het leven. Er waren allerlei huisgoden en goden van de stad, die geacht werden stabiliteit en voorspoed te geven aan de familie en de stad. En daarnaast was er het officiële pantheon met allerlei goden van naam die je in ruil voor de nodige offers hun diensten wilden bewijzen. Maar ook waren in de tijd van Paulus allerlei oosterse goden uiterst populair geworden. Zij werden vereerd in ‘mysteriecultussen’, waarvan de leden moesten worden ‘ingewijd’ in speciale geheime kennis, die ze niet met buitenstaanders mochten delen. De belangrijkste van deze cultussen waren gewijd aan de uit Egypte afkomstige Isis en de uit Babylonië afkomstige Mithras. Deze twee mysteriecultussen waren grote concurrenten van het christelijk geloof als het ging om het verwerven van aanhang onder de bevolking van het Romeinse rijk.

Om aan te sluiten bij hun religieuze beleving kiest Paulus dan ook opzettelijk voor de term mysterion, mysterie. Daarmee plaatst hij zich binnen het taalveld van zijn tijdgenoten, die hij tracht te winnen voor de boodschap van het christelijk geloof. Ook dat is een mysterie, houdt hij hen voor. Weliswaar anders dan die andere mysteriecultussen, maar het draagt absoluut een geheim in zich waar die andere religies zelfs geen weet van hebben. Maar het valt nog niet mee zijn tijdgenoten te overtuigen, want zijn boodschap staat in eerste instantie volkomen haaks op hun religieuze beleving. Voor hen openbaart het goddelijke zich in alles wat mooi en groot en sterk is. En vanuit die beleving kunnen zij niets met de boodschap van een gekruisigde messias. In hun ogen is zo iemand hoe dan ook een mislukkeling. Of om het op z’n Trumps te zeggen: een loser. Daar kan zijn opwekking niets aan veranderen. Maar voor Paulus is wat er met Jezus is gebeurd nu juist de openbaring van het diepste mysterie van de werkelijkheid: dat er een overwicht is aan licht en leven op de alom tegenwoordige dood en duisternis en dat de weg naar het ware leven dus om een soort van ‘sterven’ vraagt vóór je dat ware leven kunt bereiken. Daarom moest de weg van Jezus wel door de dood heen gaan. Op grond daarvan interpreteert Paulus elders in zijn brieven de dood en opstanding van Jezus als het sterven aan een oude manier van leven en het opstaan tot een nieuwe manier van leven ‘in Christus’. In de brief aan de Galaten omschrijft hij dit proces als volgt: ‘met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij’ (Gal. 2:19,20 in NBG-vertaling). De ‘oude’ Paulus is dus als het ware gestorven, de ‘nieuwe’ Paulus is geboren. Heel wat keren beschrijft Paulus dit innerlijke proces van transformatie in zijn brieven met het begrippenpaar ‘dood en opstanding’, dat uiteindelijk leidt tot een leven ‘in Christus’.

Doordat Jezus deze weg ten einde toe gegaan is en afgedaald is tot in de diepste duisternis, mogen wij er van uitgaan dat niets ter wereld ons kan scheiden van de liefde van God. Hij omgeeft ons van achteren en van voren en is vertrouwd met heel ons wezen. Ook met de duistere en voor ons soms verborgen en raadselachtige regionen daarvan. Voor Paulus is dat de kern van het mysterie, het diepste wezen van de werkelijkheid, dat langs de weg van de schone schijn van het Griekse denken niet te peilen valt, omdat het de kwetsbaarheid van de gestalte van de redder niet onder ogen wil zien. Maar wij worden niet gered door kracht en moed, door schoonheid en het ontkennen van de donkere kanten van het bestaan, maar door te dragen en te dulden en daarin de ervaring op te doen dat wij in dat alles gedragen en geduld wórden. Het was de psycholoog Carl Gustav Jung die in de psychologie de term ‘wounded healer’ introduceerde, een ‘gewonde genezer’. Iemand die uit eigen ervaring weet dat het leven pijn doet, kan de pijn van een ander soms beter aanvoelen dan iemand die die ervaring mist. Daarin klinkt deze kijk op de werkelijkheid door. Als de weg van Jezus de maatstaf wordt waarmee je de werkelijkheid bekijkt, dan zul je de diepe ellende die daar ook deel van uitmaakt niet langer ontkennen, maar des te scherper leren zien dat wij leven in een kwetsbare werkelijkheid en dat het leven breekbaar is. Om daar dan tegenóver de opstandingskracht te plaatsen waarin Jezus ons steeds weer voorgaat. Zo heeft Paulus het zelf in zijn leven ook ervaren. In de spanning die hij beleefde tussen zijn persoonlijke zwakte én de kracht die hij desondanks ontving, beleeft hij steeds opnieuw het mysterie van dood en opstanding.

Het is de Geest die ons voor dit mysterie de ogen wil openen. Daarom schrijft Paulus ook: ‘wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft’. Het komt niet uit onszelf, zegt Paulus. Deze kijk op de werkelijkheid, deze het leven in zijn totaliteit omarmende en bevestigende visie, wordt ons geschonken als wij de weg van Jezus naar waarde leren schatten. En dat is het werk van de Geest. Zo durft hij ook te zeggen: ‘God heeft ons dit geopenbaard door de Geest, want de Geest doorgrondt alles, ook de diepten van God.’ Het lijkt even alsof Paulus met deze woorden toch weer het mysterie probeert om te buigen in een zeker weten, alsof de ‘grote woorden’ het toch weer gaan winnen van het cirkelen om een geheim. Maar hoe zeker Paulus ook is van de grote betekenis die Jezus heeft voor zijn geloofsleven, hij past er wel voor op de suggestie te wekken dat hij het goddelijk mysterie nu exact op formule kan brengen. Ook voor Paulus is het genoeg te weten dat hij op God kan bouwen, in alle omstandigheden van zijn leven. Elders schrijft hij in zijn brief aan de Romeinen: ‘hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman? Alles is uit Hem ontstaan, alles heeft in Hem zijn doel. Hem komt de eer toe in eeuwigheid.’

Het redeneren eindigt bij Paulus in een lofzang. Uiteindelijk kun je het mysterie alleen maar bezingen. Het overstijgt ons denken. De apostel weet met de zekerheid van het geloof, die met de ratio niet te vangen is maar wel gestoeld is op ervaring, dat er een liefdevolle kracht in ons en om ons heen is, die alles draagt en naar zijn bestemming voert – ook al is er nog zoveel dat op je inbeukt en je zelfvertrouwen en Godsvertrouwen ondermijnt. Je hoeft niet bang te zijn voor die donkere kanten van de werkelijkheid. Dat heeft hij van Jezus geleerd. En je hoeft de kracht om te kunnen leven ook niet uit jezelf te halen, die kracht wordt je geschonken. Het is het mysterie van Vader, Zoon en Geest, die vergadering van drie die voortdurend met ons bezig is – het is dat mysterie dat je steeds weer doet opstaan tot het leven. Elke dag opnieuw word je uitgenodigd tot de dans van het leven. Het is die vreugde die bezongen wordt in al die prachtige liederen die voor deze zondag Trinitatis geschreven zijn. En daarom:

Dans mee met Vader, Zoon en Geest,
kom binnen in hun kring,
dat wervelende samenspel
van ver voor ons begin.
De wereld van vandaag is ons
vanouds al toegedacht
als dansvloer waar de liefde leidt
en waar de hoop ons wacht. 

Amen.

Meer artikelen...

  • 1
  • 2
© 2017 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.