• Start
  • Preken
  • Dorpskerk - ds R.J. ten Have

Schriftlezing: Job 42: 7-17 

Gemeente!

Vorige week hoorden wij hoe Job nadat hij al zijn ellende eruit had geschreeuwd, antwoord kreeg van God zelf. En in plaats van dat hem de oren werden gewassen omdat hij zo ongeremd uiting had gegeven aan zijn ongeloof in een rechtvaardige God, nam de Onuitsprekelijke hem juist serieus door hem inzicht te geven in de geweldige complexiteit en grootsheid van de schepping en alle krachten en machten die daarin aan het werk zijn. Niet alles wat er zich afspeelt tussen hemel en aarde blijkt direct door God veroorzaakt te zijn, maar wel doet Hij er alles aan om binnen dat hele krachtenspel het kwade dat een mens treft weer ten goede te keren. Dat is het antwoord dat Job krijgt. Hij krijgt dus geen verklaring voor het lijden dat hem is overkomen. En er wordt ook geen diepere zin aan zijn lijden gegeven. Niets van dat alles. Job – en in hem heel de lijdende mensheid van alle tijden – wordt opgeroepen in zijn lijden erop te blijven vertrouwen dat er een goede macht is die met hem meeleeft en die in stilte werkt aan een keer ten goede.

Daarmee had het verhaal kunnen eindigen. Er heeft zich een soort theologie van het lijden ontvouwd, die een mens zou kunnen helpen wanneer de grote vragen zich aandienen en je niet meer weet hoe het verder moet, ook in geloof niet. Er ís geen antwoord op alle vragen, niet alles wat ons overkomt heeft een reden, er is alleen een macht ten goede die met je meeleeft en vóór je uitgaat, een nieuwe toekomst tegemoet. Niet na te rekenen door ons, maar wél door ons te vertrouwen. Het is dat besef dat zich van Job meester maakt en hem doet verrijzen uit de puinhoop die zijn leven is geworden. Slechts van horen zeggen had ik van u vernomen, nu heeft mijn oog u aanschouwd, zegt Job. Het zou een mooi slot zijn geweest. Maar kennelijk is dat nog niet voldoende. In het laatste hoofdstuk horen wij nu hoe de Onuitsprekelijke boos is op de vrienden van Job en dat Job zelf op haast sprookjesachtige wijze wordt gerehabiliteerd. Geen wonder dat er uitleggers zijn die menen dat het hier om een later toegevoegd aanhangsel gaat. Of dat het hoort tot een oude, meer oorspronkelijke vertelling die later door de schrijver met al die redevoeringen van de vrienden is uitgebreid. We zullen wel nooit helemaal kunnen achterhalen hoe het precies zit. Maar belangrijker is dat het boek uiteindelijk in deze vorm in de bijbel is opgenomen. De schrijver ziet het dus wel degelijk als één geheel. En dus moeten wij dat bij onze uitleg ook maar doen.

In de eerste plaats blijkt dat God dus kwaad is op Elifaz, Bildad en Zofar, de drie vrienden van Job die waren gekomen om hem te troosten. Zij hadden het voor God opgenomen en hoe verschillend ze het ook verwoorden, alledrie kwamen ze er op uit dat God rechtvaardig is en dat er hoe dan ook een reden moest zijn waarom dit lijden Job overkwam. Maar hun bloedeloze redeneertrant had hen van de werkelijkheid van vlees en bloed vervreemd. Het menselijke ontbrak in hun dogmatische betogen. Nu blijkt dat de Eeuwige absoluut niet blij is met hoe hij door Jobs vrienden verdedigd is. ‘Ik ben in toorn tegen u ontstoken, want anders dan mijn trouwe helper Job hebt u mij geen recht gedaan met uw woorden.’ Job, met al zijn vragen en twijfels, zijn ongeremde boosheid jegens het Opperwezen, krijgt van God gelijk. Terwijl zijn vrienden met hun mooie rechtzinnige woorden het moeten ontgelden. Zij krijgen de opdracht een brandoffer op te dragen voor hun eigen bestwil en Job te vragen of hij voorbede voor hen wil doen. Kennelijk prefereert God de rauwe echtheid van Job, zijn vertwijfelde vragen en protesten, bóven de rechte leer waarmee zijn vrienden hun eigen gelijk proberen te halen in plaats van echt af te dalen in het bodemloze lijden dat Job onterecht getroffen heeft. Het slot van dit verhaal laat zien dat Job met al zijn twijfels en protesten meer fiducie in God had dan de mensen die het zo goed wisten. En hij mag nu voorbede voor hen doen. Het is nogal wat. Het heeft iets van Jezus die op het laatst van zijn leven bidt voor degenen die hem kruisigden: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen...’

Het andere dat in dit slotgedeelte gebeurt, is niet minder vreemd: Job wordt in materiële zin volledig gerehabiliteerd. Alles wat hij verloren had, krijgt hij dubbelop terug. ‘De Onuitsprekelijke’, zo staat er, ‘zegende Jobs nadagen rijkelijker dan zijn voorgeschiedenis’. We horen over een ongekend grote veestapel, zeven zoons en drie dochters die geboren worden, een hoge leeftijd die hij bereikt: meer dagen kon hij niet op. Het heeft iets van een sprookje: en ze leefden nog lang en gelukkig. Eind goed, al goed. Het klinkt inderdaad als een goedkoop einde van een prachtige tragedie over de diepste vragen van het leven. Maar ik weet niet of we daarmee de bedoelingen van de schrijver recht doen. Onze tegenwerpingen dat dit nieuwe materiële succes en de geboorte van tien kinderen nooit goed kunnen maken wat Job hiervoor allemaal heeft moeten doorstaan, zijn begrijpelijk. Maar ik denk dat we ons dan veel te veel vastpinnen op de feiten die hier genoemd worden. Volgens mij probeert de schrijver op deze wijze te vertellen dat Job de storm die in zijn leven was opgestoken, doorstaan heeft en erdoor gegroeid is in vertrouwen. Zijn leven heeft zich verdiept, hij is niet alleen dóór deze crisis gekomen, maar hij is er ook vérder door gekomen, hij heeft ontdekt dat hij niet in een bodemloze put viel toen alles hem was ontvallen, maar dat hij uiteindelijk grond voelde, vaste grond – dat God er zijn hand onder hield, zeg maar. En dat alles beeldt de schrijver in de taal van die tijd uit in een verdubbeling van bezit, kinderen die geboren worden en het bereiken van een hoge leeftijd. In al zijn ellende heeft Job zegen gevonden. Een weg om te leven temidden van alle raadselen die het leven nu eenmaal met zich meebrengt.

En dat loopt dus uit op een maaltijd. Dat moet voor zijn broers en zusters en al zijn kennissen en vrienden van vroeger een onvergetelijk gebeuren zijn geweest. De viering van de terugkeer van de rand van de afgrond. De viering van het herstel van een mens, die de diepte van het leven onder ogen heeft gezien en daardoor niet is overweldigd, maar zichzelf op een nieuwe wijze heeft hervonden. De rechtvaardige, die leeft. Als we ons nu eens proberen te verplaatsen in Job, zijn familie en kennissen, dan weten we meteen wat er door ons heen moet gaan als wij de maaltijd van de Heer vieren. De rechtvaardige bij uitstek die onverdiend het lijden op zijn weg vond, maar die overwon. Zo zit Job hier aan tafel. Het vrolijk einde van een lange strijd. Niemand van de aanwezigen kan helemaal doorgronden hoe onwezenlijk het voor Job moet zijn dat hij weer leeft. Dat hij de woorden van zijn vrienden geen hol gebazel meer hoeft te vinden. En dat hij weer één van hen is.

Job voelt: dit is de zegen die opnieuw gekomen is. De zegen nadat ik met God gevochten heb. Nadat ik gestoten ben op de peilloze onbegrijpelijkheid van God. De raadselen van het leven die zich verdiepten tot mysterie. En dat mysterie heeft een naam gekregen: God, mijn God. Ik had over u gehoord van horen zeggen, nu heb ik u met mijn eigen ogen gezien. Zo zit Job aan tafel. Een man die door het vagevuur van de vertwijfeling is heen gegaan. Een man die zó gevochten heeft dat hij het enige antwoord vond in de overgave aan het mysterie van Gods aanwezigheid, hoe dan ook. Als Job het brood laat rondgaan, dan is aan hem te zien door welke afgronden de Onuitsprekelijke met mensen heen kan gaan. Maar Hij gáát met je mee. Daar mag iedereen op de hoogten en in de diepten van zijn of haar leven op vertrouwen. Je staat er nooit helemaal alleen voor.

En zo is het nog. Door alle tijden gaat de rechtvaardige bij uitstek met ons mee. In Jezus, de gekruisigde en opgestane Heer mogen wij het mysterie voelen van Gods aanwezigheid tot in de diepste diepten van het leven. Een aanwezigheid die tot in de diepste diepten altijd léven in zich draagt. En licht. Aan het hoofd van de tafel zit steeds die grote rechtvaardige, die volkomen onterecht het grote lijden overkwam. En ook hij hield zich niet in: mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? vroeg hij met luider stem. Waarom, o God, doet u mij dit aan? Maar toch, in die wurgende angst en eenzaamheid erkende hij dat God uiteindelijk te vertrouwen was. Hij gaf zich over met alles in hem. ‘In uw handen beveel ik mijn geest’. En ook hij ontving antwoord van Godswege. Nadat hij dieper nog dan Job was afgedaald in de duisternis. Het antwoord dat hij kreeg was de roep dwars door die duisternis: ‘sta op! Leef!’ Het was de bevestiging dat hij in alles wat hem overkwam recht van God gesproken had.

Als de onoplosbare vragen opstijgen, zit hij in de Geest tussen ons in. In hem worden wij aangeraakt door dat goddelijk mysterie dat ons omgeeft, in leven en in sterven, in licht en duisternis, in tijd en eeuwigheid. Met ons verstand kunnen wij het niet beredeneren, het is alleen in overgave te ervaren. Zo mogen wij hier vanmorgen de maaltijd vieren. Met Job. Met Jezus. Met elkaar. Met al die stervelingen de eeuwen door die hebben ervaren dat de duisternis van hun vragen niet het laatste is. Van dat mysterie getuigt dat prachtige lied dat wij straks met elkaar zullen zingen: 

De duisternis te boven, al staat de nacht rondom,

zijn allen die geloven dat Jezus is de zon.

Zij kiemen uit zijn graf, zij bloeien uit zijn wonden,

zij worden uitgezonden de nacht uit in de dag. 

Laten we dan de maaltijd vieren, om in zijn zonlicht te komen! 

Amen.

© 2018 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.