• Start
  • Preken
  • Dorpskerk - ds R.J. ten Have

15 maart

Schriftlezingen: Exodus 6: 1-12, 28 – 7:7

Gemeente!
De eerste ronde is voorbij: we hebben gehoord van Mozes’ roeping bij het brandende braambos, God heeft zich bekendgemaakt als Degene die ‘erbij’ zal zijn en mensen bemoedigt in het bevechten van hun vrijheid, en zo is Mozes samen met Aäron naar de farao getogen, op hoop van zegen – maar het is allemaal op een groot fiasco uitgelopen. De slavenarbeid die de Israelieten hadden te verrichten is zelfs zwaarder geworden dan voorheen, Farao piekert er niet over zijn dwangarbeiders met hun rare ideeën over godsdienst te laten gaan (‘werken zullen jullie!’ is zijn devies – niet: godsdienst maakt vrij, maar: ‘Arbeit macht frei’ – weet dat zeer wel!) en het eind van het liedje is dat de Israëlieten zich nu wegens hun verslechterde omstandigheden tegen Mózes keren: ‘jij hebt hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden’, zeggen ze.
Mozes is terug bij af: de bevrijdingsgeschiedenis die hij in Gods naam in gang wilde zetten is niet alleen bij voorbaat al gestrand, maar heeft er zelfs toe geleid dat de situatie van de Israëlieten nóg uitzichtlozer is geworden. En Mozes is de gebeten hond.

Het is typerend voor de geloofsverhalen die ons in de bijbel worden verteld, dat dit soort ‘mislukkingen’ niet worden weggemoffeld, maar volop meedoen in de geschiedenis die de Eeuwige met zijn mensen schrijft. Het gaat niet allemaal van een leien dakje, de tegenkrachten zijn sterk en laten zich niet temmen en bovendien: het vereist inderdaad gelóóf, vertrouwen om dat wat je in eerste instantie niet ziet tóch gestalte te durven geven.
De geschiedenis van God met de mensen kent nogal wat zwakke momenten, gewoon omdat al die ‘uitverkorenen’ ook maar gewone stervelingen zijn, mensen als u en ik. Zo goed als de annalen over de koningen later gevuld zijn met profetische kritiek op die koningen, zo goed zijn deze messiaanse verhalen over het begin van het volk Gods gevuld met ervaringen van teleurstelling, mislukking, verbíttering zelfs: ‘o God, waarom brengt u zoveel onheil over uw volk’, roept Mozes in wanhoop uit, ‘waarom hebt u mij eigenlijk naar Farao gezonden?’

Mozes begrijpt er niets meer van. Hij is alle geloof in het welslagen van zijn opdracht verloren. Van tevoren had hij er al zo zijn bedenkingen bij en verzon hij de ene uitvlucht na de andere om onder zijn roeping uit te kunnen komen, maar tenslotte was hij toch op weg gegaan. Als God wérkelijk met zijn volk begaan is en de Israëlieten wil bevrijden uit hun benauwdheid, dan zal Hij hem de kracht geven om deze klus te klaren, zo denkt hij. En des te groter is de teleurstelling dat alles zo heel ánders blijkt uit te pakken. Je kunt rustig zeggen dat Mozes hier in een ernstige geloofscrisis verzeild is geraakt: ‘dat Farao doet zoals hij doet, goed, dat kun je van zo iemand verwachten, maar waarom behandelt ú – God met die mooie naam – u die er zijn zou – waarom behandelt u uw volk zo kwaadaardig?’ Met andere woorden: het is uw schuld dat het zo gelopen is! Had ons toch met rust gelaten, dan hadden we het beter dan nu. Was toch met uw handen van ons afgebleven…!

In de geschriften die samen de bijbel vormen, gaat het leren kennen van deze God altijd gepaard met een verlangen naar vrijheid, naar ruimte om te kunnen worden wie je bent: een vrij mens met een eigen leven. Maar wie die weg wil gaan, ontdekt dat hij moet breken met het vertrouwde, de ingeslepen gewoontes, het denken van je omgeving, de aanpassing aan wat anderen van je verwachten. En dat veroorzaakt in eerste instantie conflicten. Je moet je vrijheid en zelfstandigheid bevéchten – het wordt je niet in dank afgenomen als je ineens een eigen weg gaat.
Mensen die na jaren van aanpassing en stilzwijgend berusten op een dag zeggen: ‘nu is het genoeg – ik pik het niet langer om slaaf te zijn van wie of wat dan ook’ – zulke mensen zullen merken dat de tegenstand, de druk van de omgeving voorlopig alleen maar groter wordt. ‘Wat verbeeld jij je wel? Wie denk je eigenlijk dat je bent?’ De vrijheid der kinderen Gods moet vaak met veel moeite bevochten worden op de omstandigheden. En je moet van goeden huize komen om trouw te blijven aan dat vrijheidsverlangen dat in je hart ontwaakt is. Het kan leiden tot de verzuchting: ‘was ik er maar nooit aan begonnen – had ik me maar neergelegd bij hoe het was’.
‘Had ons toch met rust gelaten’, zegt Mozes tegen God, ‘dan hadden we het beter dan nu…!’ Het is allemaal zo herkenbaar als wat.

En nu is het opvallend dat Mozes niet op z’n kop krijgt voor dit regressieve gedrag. Je zou verwachten dat zijn gebrek aan vertrouwen hem van Godswege op een flinke berisping kwam te staan, maar het lijkt wel alsof de Eeuwige zo’n reactie van tevoren al had ingecalculeerd. In ieder geval kijkt Hij er niet van op dat Mozes reageert zoals hij reageert, maar doet Hij opnieuw een beroep op Mozes.
En dat begint ermee dat God zich wat uitgebreider voorstelt dan kort geleden bij het brandende braambos. Toen hoorden wij hoe de Eeuwige zich liet kennen als ‘Hij-die-erbij-zal-zijn’. Een formulering die wil zeggen dat je op Hem kunt rekenen. Op zijn eigen verborgen wijze is Hij bij ons bestaan betrokken. Maar nu, bij deze tweede roeping van Mozes, wordt daar nog een element aan toegevoegd: ‘Ik ben de Heer’, zegt God, ‘lang geleden heb Ik mijn verbond opgericht met Abraham, Isaäk en Jakob, Ik ben met hen meegegaan op hun zoektocht naar een land waar ze konden wonen zonder angst en in vrede, en Ik ben trouw aan wat Ik beloofd heb. Daarom kan Ik het niet aanzien hoe het volk dat uit hen geboren is, nu slaaf is geworden van Farao. Maar mijn verbond is nog altijd van kracht en Ik zal opnieuw van mij doen spreken. Ik ga mij jullie tot een volk aannemen en Ik zal jullie tot een God zijn. Zoals Ik Abraham, Isaäk en Jakob heb gebracht naar het land dat Ik hun beloofd heb, zo zal Ik jullie brengen naar dat land van vrede en vrijheid’.
Met andere woorden: de God die Mozes heeft ontmoet, is niet zomaar een positieve maar verder grillige en onberekenbare macht waar verder weinig over te zeggen valt, maar de God van het verbond die zich met Israël verbonden heeft om in de geschiedenis van dit volk mensen voor te gaan op de weg naar een bevrijd bestaan. Onder verwijzing naar het verbond dat Hij met het voorgeslacht van Israël lang geleden heeft gesloten en dat Hij straks op de Sinaï zal vernieuwen, probeert de Eeuwige Mozes nieuwe moed in te spreken. ‘Heb nu maar vertrouwen, probeer het nog eens een keer’.

Bij deze eerste mislukking mag het niet blijven. De weg naar de vrijheid is er niet één van de minste weerstand. Die vraagt om inzet, volharding, moed om het tégen alles wat je belemmert op te nemen, in het vertrouwen dat God je bondgenoot is. Mozes probeert het opnieuw. Het verlangen naar de vrijheid der kinderen Gods wint het ook nu van zijn scepsis. Het argument dat hij zo moeilijk uit zijn woorden kan komen, wordt door de Eeuwige gepareerd met de opmerking dat Hij ervoor zal zorgen dat Mozes ‘als een god’ voor de farao staat en dat zijn broer Aäron zijn profeet zal zijn. Dat zijn intrigerende woorden, die iets zichtbaar maken van hoe de Eeuwige bevrijdend onder ons aanwezig is, namelijk: in het handelen van mensen die erop vertrouwen dat in hun handelen God zelf aanwezig is als bron van kracht, moed en volharding. Zoals de apostel eeuwen later aan Timoteüs schrijft dat God ons niet een geest van lafhartigheid heeft gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid, die ons oproept om in het geroepen zijn te volharden, juist wanneer het gewenste resultaat niet direct zichtbaar is. Het is in die kracht en in die geest dat Mozes ‘als een god’ voor de farao zal staan en Aäron als zijn profeet. In het samenspel van Mozes en zijn broer Aäron zal die naam van God, ‘Ik zal er zijn’, gestalte krijgen. God gelooft erin. Hij is ervan overtuigd dat Mozes en Aäron samen die goddelijke naam in hun menselijk handelen waar zullen maken. Maar het zal geen gemakkelijke weg zijn. De farao zal in eerste instantie niet naar hen luisteren. In tegendeel, hij zal zijn hart zelfs verharden. Maar toch zal er uiteindelijk een doorgang komen. Het volk zál Egypte verlaten, het beloofde land tegemoet. Mozes probeert het opnieuw. Samen met Aäron. Alleen: wij weten wat hij nog niet wist: hij heeft nog een lange weg te gaan. We zijn er nog niet. Maar we komen er wél!
Geloof vraagt om vertrouwen en volharding. Dat geldt ook in tijden als deze, waarin een levensbedreigend virus rondgaat. Het is goed je aan de richtlijnen te houden en verantwoord te handelen, maar paniek is niet nodig. En helpt ons ook niet. Vertrouwen en volharding, dat is waar het om gaat. En daarin gaan Mozes en Aäron ons vandaag voor.

Amen.


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2019 PKN Anloo - Zuidlaren