• Start
  • Preken
  • Dorpskerk - ds R.J. ten Have

Schriftlezingen: Jesaja 40: 1-11 en Romeinen 13: 11-14a

Gemeente!

Op deze eerste zondag van de advent horen wij de profeet Jesaja zeggen: ‘beklim een hoge berg, vreugdebode Sion, verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem, verhef je stem, vrees niet’.

Dat zijn woorden vol van belofte. Maar ze steken schril af bij de situatie waarin ze worden uitgesproken. Want zo vrolijk is het allemaal niet. De Israëlieten zijn in ballingschap, op dat moment. In het jaar 587 vóór Christus vernietigt de Babylonische koning Nebukadnessar met Mesopotamische gruwelijkheid Judea, Jeruzalem, de heilige stad, de tempel en deporteert hij de bevolking. In totaal zijn volgens historici zo’n twaalf duizend mensen gedeporteerd. Dat lijkt in onze ogen niet veel, gewend als wij zijn aan rampen met heel wat meer slachtoffers, maar voor het Israël van toen was twaalf duizend mensen heel veel. En hoeveel er ook achterbleven, het betekende in hun beleving dat de goden van Babylon blijkbaar sterker waren dan God de Vader, die zij hadden leren kennen. Ze waren dus niet alleen hun land kwijt, in feite was door de ballingschap ook hun gangbare Godsbeeld helemaal aan gruzelementen geslagen. Als er dan een God is die mét ons is, waarom laat Hij het dan toe dat deze ramp ons overkomt?

En die vraag, gemeente, is verrassend modern. Want ook wij zijn in de ballingschap van onze tijd veel van onze oude zekerheden kwijt geraakt. Ons wereldbeeld is in een paar generaties totaal veranderd. En de antwoorden van vroeger werken niet meer. De kerken lopen leeg, de God der vaderen is meer en meer gereduceerd tot een vaag ‘iets’ – er zal wel ‘iets’ zijn, maar vraag me alsjeblieft niet wat – en wat rest van een eeuwenoude traditie is cultuur geworden. U moet er eens op letten met hoeveel graagte sommige politici tegenwoordig spreken over de joods-christelijke ‘cultuur’ die de pijler is van onze samenleving. Maar de ‘cultus’ die eraan ten grondslag ligt, de eredienst dus, is uit het zicht verdwenen. Heeft zijn geloofwaardigheid verloren. En wat moet je dan, in zo’n situatie? Het allemaal maar opgeven? Wachten tot de laatste het licht uitdoet? Of doe je, door zo te handelen, niet alleen jezelf tekort, maar ook de generaties ná je, die hoe dan ook behoefte zullen hebben aan zoiets als een ‘vloertje’ onder hun doen en laten – een besef dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij denken. Een besef dat je leven vleugels kan geven én kracht om de negatieve aspecten van het leven te doorstaan.

Het wordt Jesaja ingegeven dat de ballingschap van deze tijd nooit het laatste kan zijn – hooguit een doorgangsfase. God zal zich opnieuw als de Levende openbaren – anders dan voorheen, het oude beeld moet worden bijgesteld, ook in religieuze zin bestaat er zoiets als ‘voortschrijdend inzicht’, maar dan zul je eens wat zien. ‘Verhef u vol vreugde’, zegt hij tegen de gedeporteerden om zich heen. Er komen andere tijden. Zeker weten. De God die alle tijden in zijn hand heeft zal zijn ballingen terugbrengen naar waar ze thuishoren. Als een goede herder zal Hij zijn kudde voorgaan naar de grazige weiden van weleer. Met een prachtige pastorale, door de componist Handel al even prachtig op muziek gezet, grijpt hij terug op de woorden van de psalmist, die lang geleden met dat beeld van de herder aan kwam zetten om daarmee uit te beelden hoe God voor de mensen zorgt, steeds opnieuw. Jesaja knoopt daar bij aan als hij zegt: de Eeuwige is de Nabije, die hoort naar ons gebed. Hij is als de herder die zijn schapen weidt en voedt. En die vóór ze uit gaat, op zoek naar grazige weiden, waar het goed toeven is en waar je tot je recht zult komen. De profeet is er absoluut zeker van. Er komt een keer in hun lot. Op beeldende wijze geeft hij stem aan wat hem van Godswege wordt ingefluisterd. Woorden van hoop in een situatie die er vooralsnog hopeloos uitziet, maar er zit verandering in de lucht.

De ballingschap waarin de Israëlieten verkeren, is het einde niet. In de Geest hoort Jesaja een stem die roept dat er ruim baan gemaakt moet worden, een route aangelegd dwars door de onbegaanbare woestijn. Alle obstakels moeten uit de weg geruimd, zoals voor de doortocht van een leger. Alleen hier is het geen leger maar de Heer, voor wie die weg bedoeld is. De Israëlieten zullen de weg moeten banen om God zijn werk te kunnen laten doen. Een van de uitspraken van mijn oma vroeger luidde: je moet met de genade meewerken. En in de loop van mijn leven ben ik steeds meer de wijsheid van die woorden gaan inzien. Wij kunnen de genade namelijk ook tégen werken. Wij kunnen God belemmeren om aan ons te doen wat Hij zo van harte zou willen doen. Door ons gedrag, door onze instelling kunnen wij God ook danig in de weg staan. En dat gebeurt nogal eens. Daarom moet je steeds opnieuw de weg voor Hem vrijmaken zodat zijn goedheid aan je kan geschieden. Het gaat niet alleen om Gods trouw aan ons, maar ook om ons trouw zijn aan God. In die wederkerigheid van vertrouwen is niets onmogelijk.

Wie de verzameling boeken leest die samen de heilige Schrift vormen, ontdekt dan ook dat het daarin nooit helemaal hopeloos wil worden. En dat kan ook niet anders. Wie in zijn leven de aanwezigheid van de Eeuwige heeft leren ontdekken, zal daaraan op moeilijke momenten het vertrouwen kunnen ontlenen dat er ook weer andere tijden komen. En dat geldt ook voor de geschiedenis als geheel. Door alles heen, alle duister, alle onzin, door alles heen loopt voor wie het zien wil een spoor van licht. Die woorden van Jesaja zijn geen goedkope ‘peptalk’, maar ze zijn gebaseerd op de wetenschap van het geloof, het verworven levensinzicht, dat God niet laat varen het werk van zijn handen. Soms lijkt dat onzin, omdat je er op dat moment niets van ziet, maar wanneer je je blik de ruimte geeft en je niet blindstaart op alleen het nu, dan kan er een besef ontstaan dat er door de tijden heen een kracht is die alles ten goede wil leiden. Hoe dan ook. Maar je moet je er dus wel voor open willen stellen. Met de genade willen meewerken. Of, in de woorden van Jesaja: je moet voor God wel ruim baan willen maken. Het vraagt ook iets van jou...

De adventstijd is bij uitstek de tijd die ons daarbij bepaalt. Als je het zien wilt, zul je mét Jesaja beamen dat er is uit ’s werelds duistere wolken een licht der lichten is opgegaan. Hoe donker het misschien ook geworden is, ook in je eigen leven, het wordt tóch weer licht. De God van het begin is de God van het altijd weer nieuwe begin. Wie zijn of haar leven daar op bouwt, zal niet beschaamd worden. In die lezing uit de brief aan de Romeinen klinkt dat zelfde vertrouwen. ‘Het moment is gekomen’, zegt Paulus, ‘waarop u uit de slaap moet ontwaken, want de redding is ons meer nabij dan toen wij tot geloof kwamen. De nacht loopt ten einde, de morgen nadert al’. Met die woorden duidt de apostel op het licht dat in Jezus is verschenen. Immers, wie Jezus ontmoet, de mens in wie het goddelijk mysterie onder ons is komen wonen, wie Jezus ontmoet, die gaat uit de nacht over in het licht. Zo iemand komt anders in het leven te staan. Ruimer. Milder. Menselijker. Een kind van het licht en van de liefde.

Zo leven wij in deze dagen van advent het licht tegemoet. En in dat naderende licht mogen wij vandaag delen in brood en wijn, tekenen van Gods tastbare en tedere aanwezigheid in ons midden. Het ritme van de natuur mag ons dan in deze donkere dagen voor Kerstmis bepalen bij de schaduwzijde van het bestaan, in de kerk is vandaag een nieuw jaar begonnen dat ons oproept om in beweging te komen en de toekomst hoopvol en opgewekt tegemoet te gaan. De nacht loopt ten einde, de morgen nadert al.

Amen.

Meer artikelen...

© 2017 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.