• Start
  • Preken
  • Dorpskerk - ds R.J. ten Have

22-11

Schriftlezing: 1 Tessalonicenzen 4: 13-18

Gemeente!

Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar gedenken wij hen die ons zijn voorgegaan. Dat is geloofstaal, om het zo te zeggen – de taal die wij hier mogen leren spreken. Meestal zeggen wij van onze overleden geliefden dat ze van ons zijn ‘heengegaan’ en dat wij ‘afscheid van ze hebben genomen’ – met andere woorden: we zijn ze kwijt – maar hier mogen wij tegen elkaar zeggen dat wij met elkaar verbonden zijn én blijven: in God, als onze oorsprong en onze bestemming, ligt de verbinding tussen hen en ons. Zij zijn niet weg. Zij zijn ons voorgegaan. Naar God. En als wij hier voor zijn aangezicht hun namen noemen, dan worden wij dus niet alleen bepaald bij het gemis, het verdriet om wat voorbij is, de leegte die ons kan overvallen, maar dan mogen wij ons ook voor ogen stellen dat er een leven is aan gene zijde en dat onze doden zijn ontwaakt in een ander weten, ontheven aan de grenzen en beperkingen van ons gewone aardse leven.

Op die manier schrijft de apostel Paulus er ook over in zijn brief aan de Tessalonicenzen. De vroeg-christelijke gemeente in Tessaloniki leefde in de verwachting van een spoedige terugkeer van Jezus. Maar het begint langer te duren dan ze verwacht hadden en inmiddels zijn er zelfs al enige gemeenteleden gestorven. En hoe zal het straks met hén gaan, is de vraag van de Tessalonicenzen. Waar zijn ze nu? En wij straks, als wij er niet meer zijn, waar blijven wij dan? Het is een vraag die nooit tot rust komt. Of je nu gelovig bent, ongelovig, ex-gelovig of misschien opnieuw-gelovig, de vraag is van alle tijden en van alle plaatsen. Waar blijven wij, als wij er niet meer zijn? Een vraag, die ik zelden mooier heb horen verwoorden dan in het laatste gedicht van Hans Andreüs, de dichter van het licht:

Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,

nu het met mijn leven bijna is gedaan,

de scheppingsdrift me ook wat is vergaan

met letterlijk de kanker in mijn lijf,

en, Heer (ik spreek je toch maar weer zo aan,

ofschoon ik me nauwelijks daar iets bij voorstel,

maar ik praat liever tegen iemand aan

dan in de ruimte en zo is dit wel

de makkelijkste manier om wat te zeggen), -

hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht

van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in

het onverhoeds onnoemelijke begint?

Of is het dat jíj me er een onverdicht

woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?

Waar blijven wij met dat licht van ons, van God, wanneer de dood zich aandient? Paulus antwoordt op deze vraag met een verwijzing naar Jezus: hij is gestorven én opgestaan. Zo heeft hij hem zelf in de Geest ontmoet op het moment van zijn bekering. Dat Jezus leeft, is voor hem een waarheid die hij aan den lijve heeft ervaren in een alles veranderend licht. En hij schrijft: ‘als wij geloven dat Jezus is gestorven én opgestaan, dan moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf’. Over dat moment vertelt Paulus in apocalyptische beelden. Er is sprake van een ‘signaal’ dat gegeven wordt, de ‘aartsengel’ die zijn stem verheft en de ‘bazuin van God’ die weerklinkt, waarna de doden worden ‘weggevoerd’ op de wolken en de Heer ‘in de lucht’ tegemoet gaan.

Het zal u hopelijk duidelijk zijn dat je dit soort voorstellingen niet letterlijk moet nemen. Dan loop je erin vast. Het is beeldtaal waarmee die val in het ‘onverhoeds onnoemelijke’ wordt verwoord. Maar soms kom je mensen tegen die zich juist bij voorkeur aan dit soort teksten lijken te verlekkeren en ze vooral wél letterlijk nemen. Ze verheugen zich op het (spoedige) moment dat ze worden ‘weggevoerd’ en de Heer zullen ontmoeten. Voor de ‘ware christenen’ (waar zij zichzelf natuurlijk toe rekenen) zal dan alle ellende van het aardse leven in één klap voorbij zijn. En de niet-christenen zullen op dat moment tot hun schrik ervaren dat ze op het verkeerde paard gewed hebben. Naar mijn idee weerspreekt dit letterlijke geloof de fundamenten van het christendom, dat niet alleen uitgaat van Gods liefde voor alle mensen maar óók het leven op aarde beslist niet als iets voorlopigs en minderwaardigs ziet. Christelijk geloof is niet voor bange mensen die willen ontsnappen aan de uitdagingen van het gewone aardse leven, maar biedt juist een weg naar vervúlling, naar het leren omarmen van het gewone dagelijkse leven als een Godsgeschenk. Daarom is het concrete aardse leven en wat je er mee doet, zo belangrijk. En daarom is het ook niet te verteren dat alles wat jou gemaakt heeft tot wie je bent, met de dood zomaar ophoudt. Daarvoor is het geschenk van je leven veel te kostbaar.

Het is dát vertrouwen dat Paulus drijft. ‘We zullen altijd bij de Heer zijn’, schrijft hij. Die apocalyptische beelden waar Paulus zich van bedient, ontleent hij aan het Bijbelboek Daniël, en hij brengt er zijn verwachting mee onder woorden dat alles wat er gebeurt uiteindelijk in Gods hand is. Niet dat Hij de hand heeft in álles wat er gebeurt, mensen hebben een eigen verantwoordelijkheid en kunnen altijd ingaan tégen wat goed voor hen is, met alle gevolgen van dien, en ook de schepping heeft haar eigen wetmatigheid die niet vrij is van rampen, maar in dat alles blijft Hij aanwezig als een Bron van kracht, troost en moed die altijd weer nieuwe wegen weet te vinden waar wij aan het eind van onze mogelijkheden zijn. Hij is de God van het altijd weer nieuwe begin. Daar is Paulus absoluut van overtuigd. Er kan ons van alles overkomen, en er zál ons van alles overkomen, maar we mogen weten dat we er doorheen gehaald zullen worden, dat de machten ten goede sterker zullen zijn dan de machten ten kwade, dat God ons zegent en behoedt, dat het leven het wint van de dood. Hoe dan ook.

Het blijft overigens wel bijzonder hoe frequent de beelden van een leven bij God, voorbij de grenzen en beperkingen van dit leven, in de belevingswereld van mensen voorkomen. Niet alleen bij christenen, maar ook bij anders-gelovigen, bij dichters en schrijvers die het kind in zichzelf hebben bewaard en – vaak tot hun eigen verrassing – ook bij wie zichzelf liefst als ‘ongelovig’ afficheren. Een collega van mij vertelt hoe zijn kleindochters Savannah en Kyara bij hem logeren, daags na de begrafenis van hun vaders oude opa in Hilversum. Ze worden daar thuis niet met religie besmet, schrijft hij met gevoel voor understatement, maar hoor dan wat zo’n acht- en negenjarige er al van weten! Voor het slapengaan hadden ze nog even een kort gesprekje met elkaar:

Kyara: ‘Ik weet hoe de hemel eruitziet. Het is helemaal wit, dat is boven de lucht. De wolken zitten aan elkaar vast, dat lijkt niet zo, maar het is wel zo. En alles wat is doodgegaan is daar, ook paarden en honden.’

Mijn collega: ‘En mensen?’

Kyara: ‘Ja, opa Hilversum ook. En omamini.’

Savannah: ‘En de mensen hebben zo’n dingetje om hun hoofd.’

Mijn collega: ‘Een kroontje?’

Savannah: ‘Nee, los om hun hoofd, dat is antizwaartekracht.’

Kyara: ‘En ze kunnen vliegen. En ze zakken niet door de wolken.’

Het doet mij denken aan wat mijn eigen dochter jaren geleden tegen mij zei. Ik denk dat ze een jaar of drie was en in een onbewaakt ogenblik flapte ze er iets uit over ‘vroeger, toen ik nog niet bij jullie was.’ Ik vroeg haar toen waar ze dan wel was voor ze bij ons kwam. En zonder nadenken, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, zei ze: ‘o, toen was ik nog bij God.’

Je kunt dit soort uitspraken afdoen als kinderfantasie, maar het kind dat ik in mijzelf heb weten te behouden fluistert mij dan in dat mijn volwassenheid, mijn verstánd me in de weg zit om de waarheid ervan te kunnen verstaan. Een kind leeft nog dicht bij zijn oorsprong en is nog niet helemaal in de greep van de ratio die ons later leert alles waar wij met ons verstand niet bij kunnen, wég te rationaliseren. Mij vertellen dit soort uitspraken iets over onze oorsprong en onze bestemming. En Paulus verwoordt het aan de Tessalonicenzen op zijn manier: ‘We zullen altijd bij de Heer zijn.’ Hoe dat precies in zijn werk gaat, weten wij nog altijd niet. Dat is en blijft een mysterie. Maar over de betekenis daarvan hoeven wij niet in het ongewisse te blijven: door de dood heen zal God ons bewaren.

Laten wij in dat vertrouwen straks de namen noemen van wie ons zijn voorgegaan. Zij zijn niet verdwenen in het niets, maar voorgoed geborgen in Gods liefde.

Amen.

Bron:

Alex van Ligten – Intussen is het ook weer droog geworden (Vught, 2010)

Meer artikelen...


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2020 PKN Anloo - Zuidlaren