afscheidspreek 10 januari 2021

Lezingen: Jesaja 42: 1-9 en Marcus 1: 1-11

overweging

Er is veel lawaai in deze wereld.

Deze week werden we opgeschrikt door een groot lawaai uit de Verenigde Staten: de bestorming van het Capitool door de aanhangers van Trump – een van de meest lawaaiige presidenten ooit. Als je maar hard genoeg schreeuwt, lijkt hij te denken, wordt wat je zegt vanzelf waar. En er zijn blijkbaar genoeg mensen te vinden, die daar nog in geloven ook.

Deze aanval op de democratie verbaasde me niet, maar schokte me toch wel weer. We zagen het al van grote afstand aankomen, maar toch: dat een grote groep mensen bereid is zover te gaan, dat de waarheid op zo’n manier overschreeuwd kan worden…

Het maakt onrustig en onzeker, en dat niet voor het eerst. In deze tijd kan je vaker het gevoel bekruipen dat het blijkbaar loont om hard te schreeuwen, om vanaf elke straathoek je mening luidkeels te verkondigen. En dat je een beetje gek bent als je dat niet doet.

Er is veel lawaai in deze wereld. Mensen roepen om het hardst, overschreeuwen anderen en zichzelf, zijn allemaal bang om niet gehoord te worden, lijkt het wel.

Wat een contrast met de lezingen van vandaag! Wat een contrast met de manier waarop Jezus hier vandaag in ons midden verschijnt, even weerloos als wij mensen. Wat een contrast met die dienaar van God, die in Jesaja wordt geschetst:

Hij schreeuwt niet,

hij verheft zijn stem niet,

hij roept niet luidkeels in het openbaar.

De lezingen van vandaag passen in de tijd van Epifanie, de tijd in het kerkelijk jaar die volgt op het grote feest van de geboorte van Christus. In deze periode gaat het erover hoe God in ons midden verschijnt: epifanie betekent verschijning, of openbaring. Hoe laat God zich in ons midden zien, op welke manier komt hij aan het licht?

Uit uw hemel zonder grenzen komt Gij tastend aan het licht, zo zingt het lied dat bij deze tijd hoort. Dat klinkt een beetje alsof God op kousenvoeten deze wereld binnenkomt: voorzichtig, behoedzaam. Deze verschijning of openbaring betekent niet dat van het ene op het andere moment duidelijk is wie God is, maar vooral dat wij worden aangespoord om te leren ontdekken wie hij is en waar hij voor staat. En misschien is dat wel heel anders dan wij zouden verwachten.

Als we de aankondiging van Johannes de Doper beluisteren dan lijkt het er in eerste instantie op dat we een ‘sterke leider’ mogen verwachten, iemand die orde op zaken stelt, een man van ‘law and order’: na mij, zegt Johannes, komt iemand die meer vermag dan ik, iemand die sterker is, een voor wie ik moet bukken om de riemen van zijn sandalen los te maken. Johannes voert de spanning op, maar als Jezus dan zelf op het toneel verschijnt, blijkt dat woorden als sterkte en kracht in hem een heel ander gezicht krijgen. Jezus laat zich door Johannes dopen, net als al die andere mensen die naar hem toe zijn gekomen om een nieuwe toekomst te zoeken, om zich onder te dompelen in het water van de Jordaan. Hij ondergaat wat zij ook ondergaan: hij gaat kopje onder, net als zij, om hernieuwd weer boven te komen. Jezus claimt voor zichzelf geen uitzonderingspositie, hij zoekt het niet hogerop, maar daalt af, om daar te staan midden onder de mensen. En zó en niet anders geeft hij God een menselijk gezicht. Zijn kracht schuilt niet in opschepperij of zelfverheffing, maar in het radicaal onder de mensen willen zijn, met mensen willen zijn, naast hen willen staan. Immanuël, God met ons.

Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen,

hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde,

ik heb hem met mijn geest vervuld.

Hij zal alle volkeren het recht doen kennen.

Ver voor Jezus’ tijd was er een profeet die vier prachtige liederen schreef over wat hij noemde de dienaar van de Heer: over een mens naar Gods hart, iemand die in Gods geest leeft en handelt. Zijn woorden zijn terechtgekomen in het boek Jesaja, en we noemen hem daarom ook wel de tweede Jesaja. Het eerste van die vier liederen lazen we vanmorgen: het lied bezingt een mens die rechtvaardig is, die niet roept en schreeuwt, die zichzelf niet op de voorgrond plaatst, iemand die behoedzaam omgaat met kwetsbare mensen: het geknakte riet breekt hij niet af en de kwijnende vlam zal hij niet doven. Wie die mens is? Deze profeet laat het misschien wel met opzet in het midden. Hij schetst de contouren van iemand die God onder de mensen brengt, hij maakt als het ware een profielschets van de Messias. Hij vult het niet allemaal in, hij wijst niet met zijn vinger iemand aan, maar hij geeft met schetslijnen weer hoe de mens naar Gods hart er uit ziet. In deze schets zouden mensen in latere tijden Jezus herkennen.

Hij schreeuwt niet,

hij verheft zijn stem niet,

hij roept niet luidkeels in het openbaar.

Zou de schilder hier in de Magnuskerk aan deze woorden gedacht hebben toen hij op de muur het motto van deze kerk schilderde? Non clamor sed amor sonat in aure Dei: niet geschreeuw, maar liefde klinkt tot in het oor van God.

Toen ik ruim vijftien jaar geleden voor het eerst in deze kerk kwam, was het niet alleen het prachtige eeuwenoude gebouw dat mij trof, maar juist ook deze woorden. Ik vond en vind het een prachtig motto voor een kerk en het heeft mij al die jaren geïnspireerd.

Om te beginnen omdat het iets zegt over de manier waarop ik geloof dat God in deze wereld aanwezig is: als de verborgen Aanwezige. Toen ik aan deze gemeente verbonden werd (ik heb het er nog maar eens op nageslagen) ging mijn preek over de profeet Elia, die God ontmoet in de zachte stilte. Niet in de storm, niet in het vuur, niet in het barstend geweld van de aardbeving, maar in de afwezigheid van lawaai en kracht en sterkte laat God zich ontmoeten. In het gefluister van een zachte bries. Om dat gefluister, om die stem te verstaan, te midden van een wereld vol lawaai, is aandacht nodig. Je moet het willen horen, je moet ervoor kiezen. Geloven is niet vanzelfsprekend, maar heeft iets te maken met aandachtig leven. Leven met aandacht voor mensen, voor alles wat kwetsbaar en weerloos is. Opmerkzaam worden op de verborgen aanwezigheid van de onbegrijpelijke God in je leven, in alles wat je meemaakt.

Niet geschreeuw, maar liefde:

Deze woorden zeggen mij ook iets over manier waarop we als kerk in de wereld mogen staan, in navolging van Christus. Het gaat in ons kerk-zijn niet om een stortvloed aan woorden, het gaat er ook niet om dat wij de wereld wel eens even vertellen hoe het allemaal moet, maar uiteindelijk gaat het om het bouwen aan gemeenschap. In de gemeente oefenen we in het liefdevol voor elkaar aanwezig zijn. Om vervolgens in de wereld te leven als zout, dat het eten op smaak brengt: onopvallend, maar toch werkzaam.

In deze gemeente rond de Magnuskerk heb ik dat ook altijd zo ervaren. Niet dat alles altijd perfect was, niet dat er nooit iets fout ging of dat we nergens tekort geschoten zijn. Maar wel dat er ruimte was: ruimte om het geloof op je eigen manier te beleven, ruimte om je eigen plek in de gemeenschap in te nemen. En tegelijk was er en is er betrokkenheid: betrokkenheid in het samen vieren, in de persoonlijke aandacht voor elkaar, betrokkenheid ook op de wereld om ons heen. ‘Op z’n Anloos’ kon er heel veel – misschien niet groots en meeslepend , maar wel hartverwarmend en inspirerend.

Er is veel lawaai in deze wereld. Veel geschreeuw, en soms weinig wol.

Maar er zijn ook plekken als deze, waar mensen op adem kunnen komen. Waar we met elkaar het verlangen levend houden naar een andere wereld, een messiaanse wereld, waar mensen rechtop kunnen gaan. Waar we met vallen en opstaan proberen naar die wereld toe te leven en er iets van zichtbaar te maken.

Ik ben blij dat ik daarin mijn steentje heb mogen bijdragen in mijn eigen rol en op mijn eigen manier – ik heb in deze gemeente veel vertrouwen gekregen en veel hartelijkheid ervaren.

Hoe het ook verder gaat met deze gemeente, ik wens haar veerkracht toe en vertrouwen, en bovenal Gods liefde.

Amen


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2020 PKN Anloo - Zuidlaren