29 september 2019

lezing 1 Samuël 21

overweging

Ergens lenen de verhalen rond Saul en David zich prima voor een spannende Netflix-serie. Ze zitten vol wonderlijk wendingen, cliffhangers, en het ontbreekt bepaald niet aan spanning, drama en zelfs romantiek. Een scenarioschrijver met een beetje creativiteit zou er zo een paar seizoenen mee kunnen vullen.

De verhalen rond Saul en David zijn niet rechtlijnig en eenduidig, ze zitten vol verrassingen en ook vol ambivalentie. Zo is het - op het moment waarop we vanmorgen zijn aangeland in het verhaal - allang duidelijk dat Saul als koning heeft afgedaan in Gods ogen en dat David de nieuwe koning zal gaan worden. En toch is er geen sprake van een simpele machtsovername, maar sleept het verhaal zich voort van incident naar incident. David is op de vlucht voor Saul Een paar maal zal hij de kans krijgen om Saul te doden, maar steeds laat hij die kans voorbij gaan.  Nog steeds wordt Saul de gezalfde (de masjiach) van de Heer genoemd, en David respecteert dat messiasschap. Steeds opnieuw wordt ons verteld dat David niet uit is op de ondergang van Saul maar dat die zijn hachelijke positie aan zichzelf, aan zijn ontrouw aan God te danken heeft.

Wie was koning? Wie was geen koning?

De bekende joodse schrijver Chaim Potok heeft in zijn boek ‘Omzwervingen’ een geschiedenis van het joodse volk geschreven tot in onze tijd toe. En het is deze vraag die in zijn boek steeds terugkeert, als een soort refrein: Wie was koning? Wie was geen koning? Het is deze vraag die de geschiedenis van Israël gedurende lange tijd heeft begeleid. Het is de hamvraag van de boeken Samuel en Koningen, de rode draad door alle verhalen over Saul, David, Salomo en al de koningen na hen.

De vraag naar de macht is door heel de Bijbel heen een spannende vraag. Want het gaat niet alleen over wie er toevallig de macht kan grijpen, wie de mensen op zijn hand kan krijgen, wie er populair is. Maar het gaat vooral ook over de vraag hoe die macht gelegitimeerd wordt. Is de koning de Thora, Gods leefregels, toegedaan? Komt hij op voor de zwakken, de weduwen, wezen en vreemdelingen? Of zit hij er voor zichzelf en voor zijn eigen gewin?  Is de koning een concurrent van God, of is hij zijn dienaar en vertegenwoordiger?

In de Bijbel, zou je ook kunnen zeggen, is macht nooit iets wat je hebt, maar het is iets wat je krijgt. De koning moet nog maar bewijzen dat hij de titel koning waardig is. En het zijn de profeten die daarop moeten toezien. Die kritisch moeten waken over de macht en die hun mond open moeten doen wanneer het scheef dreigt te lopen.

Wie was koning, wie was geen koning?

Ondertussen zitten we met twee gezalfden, met twee messiassen, die allebei ook hun menselijke trekken hebben. Koning Saul zit nog op de troon, maar hij is op zijn retour. Steeds verder raakt hij in een isolement. David mag dan op de vlucht zijn voor Saul, maar de tragiek ligt vooral bij Saul. Hij raakt door zijn jaloezie, zijn wraakzucht en zijn buitensporige gebruik van geweld, steeds meer vervreemd van zijn volk, van zijn familie en van God. In de verhalen komt hij naar voren, niet zozeer als een slechterik, maar vooral als een tragische figuur die zijn eigen ondergang tegemoet gaat. Hij vereenzaamt meer en meer.

En David? Die is dan wel gezalfd, maar hij zit nog niet op de troon. Hij is een messias zonder onderkomen, op de vlucht. ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te rusten leggen.’ David is een zwervende koning. Hij zal eerst zijn eigen tocht door de woestijn moeten maken, voor hij het beloofde land mag binnen trekken.  Zoals in Deuteronomium tegen het volk wordt gezegd: Bedenk dat je zelf ook vreemdeling bent geweest in het land Egypte en dat ik/God jullie uit de slavernij heb bevrijd. Zo zal ook David, net als zijn volk moeten weten wat het is om ontheemd te zijn, om vreemdeling te zijn in een vreemd land. Om je leven niet zeker te zijn, en afhankelijk te zijn van de zorg en aandacht van anderen. 

Om een goede koning te kunnen zijn, is deze ervaring voor David misschien wel essentieel. Om op te komen voor wezen, weduwe en vreemdelingen is het van groot belang dat hij zich leert in te leven in hun positie.  Dat hij aan den lijve meemaakt wat het betekent om zonder macht te zijn, machteloos.

Als een vluchteling klopt David aan de deur van Achimelech en vraagt deze priester om hulp. Hij heeft brood en wapens nodig. Voedsel om het vol te houden en een zwaard of een speer om zich mee te verdedigen. David staat met lege handen en zoekt hulp bij een man van God.

Maar David is ook slim. Hij beweert dat hij handelt in opdracht van de koning, die hem op een geheime missie heeft gezonden. Tja… wie was koning, wie was geen koning? Heeft David het hier over Saul, of heeft hij het over zichzelf, als zwerver-koning? Of heeft hij het over God, de Koning boven alle koningen? Het wordt vakkundig in het midden gelaten… 

Hoe dan ook, Achimelech, trapt er in. Hij is bang en ongerust: zal deze man heil of onheil brengen? ‘Gewoon brood kan ik je niet geven’ zegt de priester tegen David, ‘Ik heb alleen gewijd brood te bieden.’  Nota bene: Achimelech biedt David de toonbroden aan, die iedere sabbat door de priester door verse broden vervangen worden. Twaalf broden liggen er in de tempel, als verwijzing naar de twaalf stammen van het volk. Heilige broden, die alleen door de priesters gegeten mogen worden.  Wordt dat brood in de handen van David dan niet ontheiligd? Nee, zegt David, want mijn mannen en ik voeren een heilige strijd.

Om vijf broden heeft David gevraagd. Je kunt dat verstaan als een vorm van bescheidenheid: hij vraagt om niet meer dan een handvol broden. Maar je kunt het ook verstaan als een verwijzing naar de vijf boeken van de Thora. Een aanwijzing dat het David daar uiteindelijk om te doen is…  Hoe het ook zij, we weten van die andere Messias dat je met vijf broden wonderen kunt verrichten…

Achimelech geeft David het heilig brood. Zodat hij verder kan met zijn heilige strijd. Maar hij heeft nog meer te geven: David krijgt van hem het zwaard van Goliath, dat al die tijd zorgvuldig is bewaard. Het wordt een spannende vraag waarvoor David dit wapen zal gebruiken. In de strijd tegen de reus Goliath beweerde David nog: ‘Iedereen hier zal beseffen dat de Eeuwige geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen, want Hij is degene die de strijd bepaalt’. En vervolgens overwon hij Goliath met een slinger en een steen: de wapens van een herder, niet van een soldaat.

Wat moet David met dat zwaard van Goliath? Gaat hij nu toch de wapens van zijn tegenstanders gebruiken en zal hij het zwaard tegen Saul opheffen? Of zou hij, als herder-koning, genoeg moeten hebben aan vijf steentjes in zijn zak en een slinger om ze mee te werpen? Vijf steentjes – opnieuw een verwijzing naar de vijf boeken van de Thora…

David balanceert hier op het randje. Om als herder zijn werk te kunnen doen, om zijn schapen te beschermen tegen aanvallen, kan hij niet anders dan een zekere mate van geweld gebruiken. Hij moet een wapen bij zich dragen, ook straks als koning, als hij eenmaal op de troon zit. Maar de vraag is altijd weer: welke wapens gebruik je, en hoe gebruik je ze, als het erom gaat de vrijheid van de levende God te dienen? Is de macht van het woord groot genoeg om de vrede te brengen? Of is er soms toch meer nodig?

Het zijn vragen op het scherpst van de snede, die in onze eigen tijd op een nieuwe manier naar voren komen. Hoe gevaarlijk een term als ‘heilige strijd’ is, daar zijn we in onze tijd hardhandig achter gekomen. Als gevolg daarvan wordt religie in brede lagen van de bevolking tegenwoordig als bron van geweld gezien en daarom afgeschreven.

We zullen daarom uiterst behoedzaam met dit soort verhalen moeten omgaan. Nooit en te nimmer mogen we ze gebruiken als een legitimatie van geweld. We moeten ze blijven lezen in hun context: de zoektocht van mensen om gehoor te geven aan Gods oproep om in vrede en vrijheid te leven. 

David mag dan door God geroepen zijn, en door Samuël gezalfd, het gevolg van die roeping is, dat hij met hulp van anderen en door eigen inzicht zijn weg moet proberen te vinden. Roeping betekent voor hem niet het eens en vooral gehoord hebben en weten, het is geen garantie, maar het is voortdurend alert blijven en zoeken naar manieren om die roeping vorm te geven. Met vallen en opstaan moet hij ontdekken wat het betekent om God te dienen, om de koning te worden naar Gods hart.


Inloggen

Login met uw gebruikersnaam en wachtwoord.
Nog geen account? Klik op registreer.

Copyright © 2019 PKN Anloo - Zuidlaren