24 maart, derde zondag veertigdagentijd

lezing: Lucas 13: 1-9

 overweging

Er is een ongeluk gebeurd bij de afrit van de N34. Het kruispunt ligt vol met brokstukken en versplinterd glas. In het donker zijn de blauwe zwaailichten van verre te zien (en sirenes te horen...)  Twee auto's frontaal op elkaar gebotst: één dode, één zwaargewond. In de berm staan niet alleen politieauto en ambulance, maar ook steeds meer gewone auto's geparkeerd. Sommige mensen stappen uit. Bij de plaats van onheil vormt zich een groepje toeschouwers. "Hoe zou het gegaan zijn? Zal wel weer een gedronken hebben. Ja, of hij zat te bellen achter het stuur. Hoop maar dat 'ie verzekerd is. Ze doen ook maar. Oppakken moet je ze, die hardrijders. Onmiddellijk het rijbewijs afpakken." Zo wordt er gepraat. Er zijn er die al precies weten hoe het gegaan is. Wie schuld heeft. Een week later, na uitvoerig onderzoek, blijkt dat een van de twee auto's een klapband heeft gehad; de bestuurder had even geen controle meer...

Er is een moord gepleegd in Jeruzalem. Galileërs op beestach­tige wijze de keel doorgesneden. Nota bene op het tempelplein. Je ziet het groepje toeschouwers er al staan, gefascineerd door het onheil dat anderen is overkomen. "Ze zullen het wel over zichzelf afgeroepen hebben. Je wordt toch niet zomaar vermoord. Verkeerde vrienden zeker. Zaten ze niet in het verzet?" Jezus zag het ook al voor zich, de toeschouwers. Speculerend over de ware toedracht. Over de schuld. En Jezus bracht de vraag onder woorden waarover zij misschien alleen durfden te fluisteren. Waren deze Galileers grotere zondaars dan anderen? Gods straf misschien? God zal ze wel niet zomaar op deze manier aan hun eind hebben laten komen.

Is de vraag die Jezus de toeschouwers van toen in de mond legde, onze vraag nog? Zou bij de toeschouwers bij de N34 de vraag naar Gods straf ook opgekomen zijn? Misschien niet meer zo. Maar nog steeds wordt de vraag naar schuld gretig gesteld, nog steeds wordt er met graagte een beschuldigende vinger uitgestoken. We zagen het deze week ook weer, bij de schietpartij in Utrecht. En niet alleen wordt er gespeculeerd over de motieven van de dader. maar ook wijzen groepen mensen elkaar met de vinger na.

Waarom doen we dat? Ik denk omdat het een manier is om toe­schouwer te blijven, om niet te zeer betrokken te raken. Het is een manier om de wereld voor jezelf veiliger te maken: zoiets afschuwelijks moet verklaard worden, in kaart gebracht, gerubriceerd, de schuldige moet aan te wijzen zijn. Als je weet hoe het komt, als je wat er gebeurt kunt onderbrengen in een schema van oorzaak en gevolg, dan valt er misschien beter mee te leven. Ook al komt in onze verklaringsmodellen God niet altijd meer voor, we blijven naar wegen zoeken om de wereld overzichtelijk en begrijpelijk te maken. Voor de omstanders in Jezus tijd is Gods straf een goed ver­klaringsmodel, net als voor de vrienden van Job trouwens. Hij zal wel gezondigd hebben, ze zullen wel tegen Gods wet zijn ingegaan. Oorzaak: schuld. Gevolg: God straft.

Maar tegen die hele redenering zegt Jezus nee. Zo werkt het niet, zo werkt God niet. God laat zich niet op die manier in het keurslijf van menselijke verklaringen dwingen. God is geen machine in de hemel die automatische straffen uitdeelt; voor elke menselijke zonde een passende straf. Oog in oog met het lijden van een ander mag je nooit op die manier terug redeneren naar de oorza­ken, het is veel te gemakkelijk om van de slachtoffers schul­digen te maken en zo zelf buiten schot te blijven. Niet alleen maak je zo misschien onschuldige mensen zwart, maar je denkt ook veel te gering van God.

Jezus spreekt de toeschouwers rechtstreeks aan: jullie, als jullie je niet bekeren, dan kom je zelf de dood tegen. Jezus trekt de omstanders uit hun toeschouwerrol en zegt als het ware tegen hen: het lijden van anderen zou jullie aan het denken moeten zetten, niet over allerlei mooie sluitende verklaringen, maar over je eigen leven. Niet over de schuld van die ander, maar over je eigen verantwoordelijkheid. Jezus slaat hun mooie schema's van oorzaak en gevolg, van schuld en lijden stuk. Hij maakt het hun onmogelijk om nog langer toe­schouwer te blijven. Hij maakt hen zou je kunnen zeggen, medeplichtig. Bekeert U! Keer om! Doe het anders!

En dan vertelt hij dat prachtige verhaal over die boom, de boom die ook liever toeschouwer zou blijven. Een dorre vijgenboom temidden van een wijngaard vol sappige druiven. Jezus heeft het verhaal niet helemaal van zichzelf, het verhaal doet de ronde en we kennen er meerdere versies van. Eén versie gaat zo: er was eens een boom die aan stromend water stond. Op een dag kwam de bezitter langs en zag dat de boom geen vrucht droeg. Wat was er logischer dan de boom om te hakken? Maar de boom zei: verplaats mij en als ik dan nog geen vruchten voort­brengt, hak me dan om. Maar de bezitter zei: aan het water droeg je al geen vrucht, hoe zou je dat dan op een andere plaats wel doen?

Deze versie van het verhaal eindigt nogal troosteloos. De boom moet zichzelf verdedigen en geeft de schuld van zijn eigen dorheid aan de plaats waar hij geplant is. Maar de eigenaar zegt terecht: de plaats waar je staat is goed genoeg, maar jij boom, wat doe je met het water dat aan je voeten stroomt: laat je dat voorbijgaan of neem je het in je op zodat je vruchten draagt? Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar wat is er logischer dan dat de eigenaar na deze woorden de boom inderdaad omhakt? De boom heeft zijn kansen verspeeld. Hij is toeschouwer gebleven, dor en dood.

Jezus' versie van het verhaal eindigt hoopvoller. Bij hem hoeft de boom niet voor zichzelf op te komen, maar is er een wijngaardenier die tegenover de eigenaar de boom nog een kans wil geven. Niet alleen probeert hij de eigenaar om te praten, maar hij wil zich er ook concreet voor inzetten: nog eens wat extra mest, en wie weet... De wijngaardenier doet voorspraak voor de boom. Het is de rol van Jezus zelf. Net als in zijn reactie op de omstanders in Jeruzalem roept hij op tot beke­ring. Het is nu aan de boom om al dan niet vrucht te gaan dragen, het is aan mensen om van toeschouwers tot medewerkers te worden. Bekeert u, keer om! Doe het anders!

Jezus doorbreekt het automatisme van oorzaak en gevolg, van straf die volgt op schuld. Hij creëert ruimte, de mogelijkheid om nieuwe wegen te gaan. Zoals de wijngaardenier heel concreet aanbiedt om de boom nog een jaar lang te bemesten en voor­spraak doet, zo is Jezus in al zijn doen en laten solidair met mensen om hem heen. Hij gaat als het ware instaan tussen de zonden van mensen en de straf die daarop logischerwijs zou moeten volgen. Met zijn oproep tot omkeer wil Jezus mensen geen angst aanjagen, maar hij wil hun juist ruimte geven. Ruimte om zich te laten betrekken in het verhaal van het evangelie, in het verbond van God met mensen.

Bekeert u! Het is een klemmend appèl op ons om niet alleen maar toeschouwer te blijven, maar ons in te zetten, ons te laten aanspreken. Om het lijden van mensen niet weg te verkla­ren, maar ons ermee te verstaan en, in het klein en in het groot, te werken aan de verlichting van pijn en verdriet. Om anderen niet te oordelen, maar met hen te delen. Je omkeren van toeschouwer tot betrokkene, tot deelgenoot, dat is mis­schien wel iets wat we elke dag weer moeten doen. Het is zoveel gemakkelijker om toeschouwer te blijven, om buiten te blijven staan. Het voelt zoveel veiliger. Maar zegt Jezus, het leidt wel tot de dood. Een boom die het water aan zich voorbij laat stromen, zonder ervan te drinken, zal nooit vruchten dragen. Het is de moeite waard je te laven aan het levende water, om steeds weer terug te keren bij de verhalen van het evangelie en daar nieuwe energie aan op te doen. Het levert vruchten op om je te laten betrekken in het werk in Gods wijngaard.

Over die ommekeer van toeschouwer naar deelnemer, naar betrokken mens zijn is een prachtig gedichtje van Ted van Lieshout, dat ik jullie niet wil onthouden.

            dag mus

Wij vonden een gewonde mus

en legden hem in een dos

anders was hij doodgegaan

Wij druppelden water in zijn bekje

maar hij drinkt niet meer. Als hij nu

sterft, is het voortaan onze schuld.

Er is geen kat in de buurt

die het zich laat verwijten

Wij weten niet meer wat te doen

Het leven van zoiets kleins is te teer

voor mensenhanden. Hij wijst ons

met zijn pootjes als de dader aan.

Zo klein kan het zijn, die betrokkenheid.

En zo weinig kunnen we soms doen.

En toch is dit het waar het om draait: om zorg, om liefde.

Wie een mus in een doosje stopt, is geen buitenstaander meer.

Maar hij leeft.

Met alles wat adem heeft.

© 2019 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.