2 december, eerste advent

lezingen: Zacharia 14: 5-9 en Lucas 21: 25-36


overweging

De Bijbelteksten die het leesrooster ons vandaag, op de eerste zondag van advent, aanreiken, zijn niet de gemakkelijkste. Het is nogal wat, wat de profeet Zacharia, en in zijn voetspoor Jezus hier overhoop halen. Niet alleen Jeruzalem, nee heel de wereld staat op instorten, lijken ze te beweren. Al het oude moet worden afgebroken, om plaats te kunnen maken voor het nieuwe. Zowel Zacharias als Jezus gebruiken grootse en meeslepende beelden om hun punt te maken. De Olijfberg, zo op het eerste gezicht toch een toonbeeld van stabiliteit, zal in tweeën splijten, zegt Zacharias  - zoals ooit Schelfzee in tweeën spleet, om de doortocht van het volk mogelijk te maken. Zon, maan en sterren zullen hun glans verliezen – de wereld wordt donker en onherbergzaam.

We zijn, met al deze grootse beeldtaal, beland in de wereld van de eschatologie: de leer van de laatste dingen, het einde der tijden. Of, met andere woorden: het gaat hier over de vraag hoe wij naar de toekomst kijken. Met welke ogen kijken we naar onze eigen toekomst, en naar de toekomst van de wereld waarin we leven?

Afgelopen donderdag hebben we met de oecumenische gespreksgroep onze tanden gezet in deze teksten, en hebben geprobeerd er vat op te krijgen en ze te vertalen naar onze eigen belevingswereld. Ik ben toen begonnen met de vraag: als je in een kerkdienst deze lezingen te horen krijgt, wat is dan het gevoel dat overheerst? Is dat herkenning van alle rampen die we op het nieuws te zien krijgen, is dat angst en bezorgdheid, of is dat juist hoop, vertrouwen, uitzicht op iets beters? Wat roepen deze teksten bij ons als hoorders op, wat staat bij ons op de voorgrond: de hoop of de bezorgdheid?

Er was een aantal mensen die wees op de gelijkenis van deze visioenen met gebeurtenissen uit de actualiteit: denk aan overstromingen en extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering, het voeden van wantrouwen door het verspreiden van nepnieuws, het groeien van de kloof tussen rijk en arm, het aanwakkeren van polarisatie en haat door mensen die hun eigen machtpositie willen versterken. Er is van alles aan de hand in onze wereld wat ons er niet geruster op maakt. Het nieuws dat dagelijks op ons afkomt is vaak verontrustend, het maakt ons onrustig en bezorgd. Angstig misschien zelfs.

Zo bezien vinden de sombere visioenen van Zacharias en van Jezus weerklank in onze actualiteit. Zoals ze ook in hun eigen tijd actueel waren: ook toen was er blijkbaar van alles aan de hand. Was er alle reden om de toekomst somber in te zien. Er was sprake van onderdrukking en onrecht en de dreiging van oorlog lag altijd op de loer. De harde werkelijkheid wordt door Zacharias en Jezus niet uit de weg gegaan; ze wordt volop onder ogen gezien en bij de naam genoemd.

Maar het blijft niet bij somberheid, het blijft niet bij dreiging en waarschuwing. Er klinken in deze teksten ook andere tonen: de toon van de hoop en verwachting, van uitzicht op bevrijding. Er klinkt de oproep om het niet op te geven, om het vol te houden ondanks alles. Om te blijven geloven dat dit het einde niet is, dat we ons niet neer hoeven te leggen bij de wereld zoals hij nu is, maar dat er iets beters denkbaar is.

En het is deze toon, de toon van de hoop, die de mensen van de gespreksgroep toch vooral hebben gehoord in deze teksten en die ze zouden willen bewaren. Iemand zei daarover: het leert mij om anders naar de wereld te kijken. Dat Koninkrijk van God, waar Jezus het over heeft, dat is niet alleen iets voor later. Ook nu al, iedere dag weer is er veel hoop te zien in de wereld. Je moet het alleen wel willen zien.

Hoe kijken we naar de toekomst? Laten we ons leiden door angst, of durven we te hopen op iets anders, iets beters? Dat is eigenlijk de vraag die deze profetische teksten ons voorleggen.

Ik moest denken aan een stukje van schrijfster Elke Geurts dat een poos geleden in dagblad Trouw stond. Zij vertelde dat er bij haar thuis een jaar lang een spreuk aan de muur hing, opgeschreven op een A-4'tje door haar 12-jarige kind: 'Hope is the only thing stronger than fear', las ze iedere dag. De schrijfster die op dat moment midden in een scheiding zat, vertelde dat ze zich vasthield aan deze woorden. Tot een journaliste er pas naar keek en op lijzige toon zei dat hoop alleen maar ellende met zich meebracht. 'Hoop schept een droomwereld,' zei ze 'en die wordt niet vervuld. Hoe meer je hoopt, hoe gefrustreerder je wordt. Het is pure misleiding. Meer niet.' 'Maar wat moeten we dan', wierp Geurts tegen. En ze kreeg als antwoord: 'Naar de feiten kijken!'  De journaliste was nog niet weg of ze trok de spreuk op het A-4'tje van de muur af. Wèg met die verrekte hoop.

Jazeker, soms frustreert de hoop, soms misleidt ze, zeker als het valse hoop is, maar ik zou toch een pleidooi willen houden voor de wijsheid van het kind van 12 jaar dat haar moeder bij de hoop wil bewaren en het niet alleen wil houden bij de feiten. Ze staat daarmee dicht bij de profeet Zacharia en bij Jezus, die op hun manier de hoop levend houden. Zeker: hopen vraagt om wachten en geduld, om stapjes zetten en weer bij nul beginnen, het is wars van al te veel vroomheid dat met God aan je zijde niets kan gebeuren. Het vraagt eerder om weinig, om een leeg geloof, dat als een open hand uitziet naar wat komen gaat.

Het is belangrijk om vast te stellen wat hoop niet is. Hoop betekent niet dat je wegloopt voor de harde werkelijkheid. Dat je je kop onder de dekens steekt en maar geen nieuws meer kijkt. Dat je het thuis gezellig maakt en je maar niets meer aantrekt van de boze buitenwereld. Of dat je jezelf wijsmaakt dat het allemaal wel meevalt. Hoop is niet hetzelfde als je ogen sluiten voor de feiten, voor alles wat niet goed gaat. Maar het betekent juist dat je je ogen open houdt, ook voor alles wat wel goed gaat, ook voor de mogelijkheden die er zijn. Hoop is juist ook betrokkenheid bij die wereld, waarin van alles nog niet goed gaat.

Hoop is ook geen blij ‘alles wordt beter-verhaal’, maar het gaat wel recht in tegen het ‘alles wordt slechter-verhaal’. Het houdt de mogelijkheid open dat er iets kan veranderen.

Bij de filosofe Rebecca Solnit kwam ik de volgende wijze woorden tegen: “Hoop is te vinden in de veronderstelling dat we niet weten wat er zal gebeuren en dat die onzekerheid ons de ruimte biedt om iets te doen. (…) Het is een alternatief voor de zekerheid die zowel optimisten als pessimisten menen te hebben. Optimisten denken dat het allemaal wel goed komt als we niets doen. Pessimisten denken het tegenovergestelde, maar beide groepen vinden dat ze een excuus hebben om niet te hoeven handelen. Maar, zegt Solnit dan, de dingen die we doen, doen ertoe – ook al weten we van te voren niet hoe en wanneer ze ertoe doen, of wie en wat erdoor wordt beïnvloed.”

Volgens mij raken deze woorden aan de waakzaamheid waartoe Jezus ons oproept. Ook bij hem gaat het niet om passief afwachten, maar juist om actief verwachten. We worden door hem uitgedaagd om actief te speuren naar tekenen van hoop. Om onszelf niet in slaap te laten sussen, en ook niet moedeloos te laten maken. Maar om onszelf te oefenen in hoop. Hier in de kerk doen we dat door verhalen te vertellen, door te zingen en te bidden, door kaarsen aan te steken, door onszelf er op allerlei manieren aan te herinneren dat er meer is dan de feiten. Dat liefde bestaan kan, dat hoop niet vergeefs is, dat het de moeite waard is om ergens in te geloven.

© 2018 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.