8 juli

lezing: Job 2: 11-13, Job 8: 1-14, 20-22 en Job 10:1-15

overweging

Je zult maar een vriend van Job zijn…

Je zult maar jarenlang met iemand opgetrokken zijn, samen lief en leed gedeeld, samen je kinderen zien opgroeien, samen vieren wat er te vieren was, en dan stort de wereld van je vriend in elkaar. Zijn bezittingen kwijt, zijn kinderen gestorven – zo ongeveer het ergste wat iemand kan overkomen – en dan ook nog zijn gezondheid aangetast.

Het leed van Job wordt ons in schrille tonen uit de doeken gedaan. Het is bijna over de top: zelfs als de schrijver van het boek de helft van al dat lijden had beschreven, was het ons wel duidelijk geweest: Jobs lijden is niet te bevatten, je kunt er niet bij.

Je kunt er niet echt bij komen, niet als het jezelf niet overkomt, als je er naast staat. En precies dat maakt het ook zo moeilijk om een vriend te zijn op zulke momenten.

Je zult maar een vriend zijn van Job…

Wat moeten ze zeggen, die drie vrienden: wat moeten ze doen, als het leed zo diep gaat als dat van Job: tot op het bot is zijn leven uitgekleed en aangetast. Hoe ben je dan een goede vriend? Hoe kun je iemand, die er zo slecht aan toe is, in vredesnaam troosten? Wat helpt er dan nog?

Zitten en zwijgen, dat is het eerste wat Jobs vrienden doen als ze horen wat hem is overkomen. Zitten en zwijgen, zeven dagen lang. Dat is bijzonder, en ik zie dat vandaag de dag nog niet zo snel gebeuren. Dat er zeven dagen lang wordt gezwegen.

Het doet me denken aan het joodse rouwritueel, dat sjivve-zitten wordt genoemd. Na de begrafenis, die al heel snel na het overlijden plaatsvindt, verlaten naar joods gebruik de directe nabestaanden zeven dagen lang het huis van de overledene niet en ‘zit’ men sjivve, op een krukje of een kussen op de grond. Familieleden en kennissen komen tijdens de sjivve langs om de rouwenden te verzorgen met eten en drinken. En elke dag wordt er een korte gebedsdienst gehouden. Zo laten ze de rouwenden merken dat ze niet alleen zijn. Er schuilt wel iets heel moois in zo’n ritueel. Het geeft vorm aan betrokkenheid en gemeenschap: we laten je niet in de steek, we leven met je mee.

Zitten en zwijgen. De vrienden van Job gebruiken zeven dagen lang geen woorden. Het is ook niet eenvoudig om hier woorden voor te vinden. Voor sommige dingen zijn misschien ook wel geen woorden, woorden schieten ook vaak tekort. Daarom: eerst maar zitten. Erbij blijven, iemand niet alleen laten - gewoon maar aanwezig zijn, meer niet.

Ik zei al: vandaag de dag zie ik dat nog niet zo snel gebeuren, dat mensen zeven dagen lang hun mond houden. In onze cultuur ligt erg de nadruk op praten: wie iets is overkomen, moet er zoveel mogelijk over praten. Want praten, dat doet goed: onder woorden brengen wat je voelt en ervaart, wat het met je doet. En ik denk ook zeker, dat dat waar is: dat het goed kan zijn om woorden te zoeken voor je verdriet, je gemis, voor al die tegenstrijdige gevoelens die je kunt hebben als je leven overhoop ligt. Wie zijn pijn en verdriet systematisch wegstopt, wie alles opkropt en bij zichzelf houdt, zal daar later maar al te vaak last van krijgen. Zwijgen kan heel verstikkend zijn. En praten kan helend zijn: je gevoelens met anderen delen, de dingen voor jezelf op een rijtje zetten, aftasten of je gevoel buitensporig is, of dat het erbij hoort. Woorden kunnen troost bieden, een pleister op de wonde zijn – een regel van een lied, de strofe van een gedicht kan je diep raken en goed doen.

Maar woorden kunnen ook te snel komen en aan de oppervlakte blijven scheren. En niet alles laat zich in taal onderbrengen. Soms heb je tijd nodig om woorden te vinden. En soms ook zijn woorden niet eens nodig om je meeleven te laten blijken. Een gebaar zegt soms net zoveel als een woord.

De vrienden van Job zijn echte vrienden. Ze nemen de tijd voor hem en laten hem niet in de steek. Ze komen wanneer ze nodig zijn. Ze leven tot in het diepst van hun hart met hem mee. Ook al kunnen ze er niet helemaal bij, ook al hebben ze niet hetzelfde doorgemaakt als hij, ze komen wel dichtbij, zitten naast hem en laten hem niet los.

En ze zwijgen net zolang tot Job zelf aangeeft dat er nu genoeg gezwegen is. Dat het tijd wordt om woorden te zoeken, dat er iets gezegd moet worden, wat dan ook. Het verdriet moet naar buiten, het moet gedeeld, meegedeeld. En niet alleen het verdriet moet naar buiten, ook de woede, de wanhoop, het ongeloof, de ontreddering. Job gooit het er uit, in een lange klaagzang: ‘Ik heb geen ander voedsel dan verdriet, mijn klachten stromen in een vloed van tranen.’ Job vervloekt de dag dat hij geboren is… Er komt een stroom aan woorden uit zijn mond en hij houdt bijna niet meer op.

Je zult maar een vriend zijn van Job…

Je zult maar zo’n klaagzang over je heen krijgen. Wat heb je dan nog te zeggen? Zijn er woorden die troosten, die relativeren misschien, die zijn verdriet in perspectief plaatsen? Kun je misschien zijn situatie verhelderen, verklaren waarom het zo gelopen is?

De vrienden van Job proberen het allemaal. Ieder trekt op zijn eigen manier alles uit de kast om Job iets te bieden wat helpt. Elifaz probeert het met voorzichtige en vriendelijke woorden. Bildad is wat directer: hij spreekt niet zozeer troostende, maar meer vermanende woorden: hij gaat niet mee in Jobs klaagzang, maar zet er iets tegenover. En Zofar tenslotte is soms ronduit agressief tegen Job. Maar hij is dan ook de laatste in de rij en heeft al heel wat over zich heen gekregen aan gesteun en gevloek van Job.

De vrienden gaan ieder op hun eigen manier het gesprek met Job aan. Maar het lijkt wel alsof Job en zij langs elkaar heen praten. Gebeurt er wel echt iets in dit gesprek? 34 hoofdstukken lang gaat het maar door. Een lange woordenstroom, waarin niemand de ander lijkt te kunnen overtuigen. Het is als een te lange vergadering, waarin iedereen uiteindelijk te murw is om nog een overwogen besluit te nemen. Behalve Job zelf, die is onvermoeibaar als het erom gaat, zijn eigen onschuld aan te tonen. Hem gaat het tenslotte niet om een of ander theoretisch probleem, maar om zijn eigen leven!

Precies dat is het, wat het gesprek tussen hem en zijn vrienden zo moeizaam maakt. Job praat vanuit zijn eigen ervaring, vanuit het geleefde leven. En zijn vrienden, zij ontlenen  hun woorden aan de traditie, aan wat zij geleerd hebben over goed en kwaad, over God, over wat recht is. ‘Ga te rade bij de vorige generatie’, zegt Bildad tegen Job: ‘zij zullen je spreekwoorden aan de hand doen, woorden vol wijsheid en inzicht.’

In alle onderlinge verschillen komt het bij de drie vrienden toch iedere keer opnieuw op hetzelfde neer, iedere keer herhalen ze hetzelfde betoog: als Job door deze ellende getroffen wordt, dan zal hij toch wel ergens gezondigd hebben, dan zal dit lot hem door God zijn aangedaan, als les, als beproeving, als rechtvaardigheid. Hoe het ook zij, ergens heeft hij zelf schuld aan alles wat hem overkomt. Ga bij jezelf te rade, Job, je bent heus niet de enige die dit overkomt, wie zou recht tegenover God kunnen staan? Beken je schuld, keer je tot Hem en dan zal ‘Hij je mond nog genoeg te lachen geven, en je lippen van opgetogen geluiden doen overlopen’, om het in de woorden van Bildad te zeggen.
Zo proberen de vrienden God te redden voor zichzelf, zo proberen ze Hem passend te maken in hun eigen systeem van straf op zonde en zegen voor rechtvaardigheid.

Je kunt zeggen: wat hebben we hier aan? Die manier van denken van deze vrienden is ons zo vreemd geworden. Job zelf protesteert ertegen, zegt hartgrondig nee. Het klopt niet wat die vrienden beweren. Het klopt niet met onze ervaring, eerder lijkt het soms omgekeerd: dat de mensen die het goed proberen te doen getroffen worden door onheil en dat degene die er maar op los leven, er mee weg lijken te komen. En laten we al helemaal niet zeggen dat het van God komt. Als mensen al zo zwaar getroffen worden in het leven, maakt het het alleen maar erger wanneer er ook nog wordt gezegd dat God het zo gewild zou hebben, alsof je God er ook nog bij verliest.

En toch…ook al noemen we God er niet meer bij, uit verlegenheid of onwetendheid, toch is de redenering van de vrienden van Job overal te herkennen, misschien soms wel in toenemende mate – daar waar we doen alsof het leven maakbaar is, alsof we alles zelf in de hand hebben. Ga toch eens na bij jezelf, Job, is dat wat je overkomt ergens niet je eigen schuld? Ik denk bijvoorbeeld aan de discussie over zorgverzekeringen: hoe er telkens weer stemmen opgaan om met verschillende maten te meten. Degene die ongezond leven, moeten meer betalen, want is het ergens niet hun eigen schuld als ze ziek worden? Klinkt daar ook niet in door dat het geheel en al aan iemand zelf ligt of hij of zij ziek of gezond is, terwijl ook onze omgang met voedsel daar een grote rol in speelt? En wat doen deze discussies met hoe we naar elkaar kijken in een samenleving – verdwijnt daarmee niet elk gevoel van solidariteit? Is het eenvoudiger geworden nu God uit deze redenering verdwenen is en het bij de mens zelf komt te liggen?

Voor Job is het grote gevecht met zijn vrienden niet zozeer dat wat hem overkomt ergens op een of andere manier bij God vandaan komt. Die gedachte is hem niet vreemd, dat hoort misschien niet bij het onze, maar wel bij Jobs Godsbeeld. Maar hij vecht tegen de conclusie die zij trekken, dat het dan ook zijn eigen schuld is. Ik heb dit niet verdiend, ik ben onschuldig, dat weet U, schreeuwt Job uit. Hij kan zich niet voorstellen dat God zó is zoals de vrienden Hem voorstellen, als een boekhouder die nauwkeurig bijhoudt wie wanneer de fout ingaat: ‘U heeft de mens toch niet eigenhandig gemaakt om haar vervolgens weer te gronde te richten, die kwetsbare mens in al haar feilbaarheid, wat zou het voor zin hebben uw leven en liefde uit te storten in een mens om vervolgens hem zo langs de meetlat te leggen?’

Waar de vrienden zich druk maken om God te redden in een passend systeem, wil Job alleen maar het hartstochtelijk mét God redden, dat hij niet in alle verlies nu ook nog God verliest. Job vecht tegen God om God.

Terwijl zij praten over God, wil hij praten mét God, weten of hij nog bij Hem terecht kan, bij een vriend die weet heeft van al zijn verdriet, van al zijn pijn. Ken je mij, roept Job tot God, ken je mij werkelijk in alles wat ik meemaak? Want ik herken me zelf niet meer, weet niet meer wie ik ben. En ken ik U nog, nu alles zo anders is, waar laat U zich vinden?


God is rechtvaardig, zeggen de vrienden, je krijgt wat je verdient. Maar gerechtigheid is in de Bijbel niet: iemand geven wat hij verdient, maar iemand geven wat hij nodig heeft. En wat Job nodig heeft is een Vriend, met een hoofdletter. Job is niet op zoek naar een 'rechtvaardige' God, maar naar een God die om hem geeft en hem niet loslaat.

© 2018 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.