24 juni

lezing: Job 1:1 – 2:10

overweging

Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt

dat is zo ongeveer wel de kortste samenvatting die je van het boek Job geven kan.

Het boek begint met een lofzang op Job, de rechtvaardige. Een man die alles mee heeft: hij is rijk aan bezit en rijk aan familie, en bovendien is hij innerlijk rijk – zo gelovig als hij is er geen een. Tegen Job kan niemand op…

Je zou er bijna jaloers op worden, als je de beschrijving leest van zijn rijkdom en zijn vroomheid. Maar binnen de kortste keren keert het verhaal om in zijn tegendeel. Job zal alles kwijtraken: zijn hele hebben en houden, de mensen die hem lief zijn… en zijn geloof? Dat spant erom! Zal Job, nu hij alles kwijt is, zijn geloof behouden of zal hij ook dat kwijtraken? Dat is de spannende vraag die na de eerste hoofdstukken blijft hangen, of die ons eigenlijk het hele boek door in de greep zal houden.

Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt…

Het is alles of niets, in het boek Job. Het schildert ons in felle kleuren hoe het er in een mensenleven te kan gaan. Misschien zijn die kleuren in ons eigen leven wat minder fel, maar toch: ervaringen van verlies kent bijna ieder mens. Onwillekeurig roept het boek beelden op van vandaag de dag, verhalen van mensen van dichtbij of van verder weg, die door de ene na de andere rampspoed getroffen worden. Of het herinnert je aan eigen ervaringen: momenten in je leven dat de grond onder je voeten leek weg te zakken, dat de zin van alles ver te zoeken leek. Het boek Job raakt aan ons eigen leven en aan deze wereld. Het is het verhaal van ons allemaal, in die zin dat het levensvragen stelt die ons allemaal op de een of andere manier aangaan.

Uit het vragen en zoeken van echte mensen, uit de concrete worsteling met het leven en het lijden is het boek Job geboren. Het is geen algemeen theoretische verhandeling over het lijden, geen sluitende theorie over hoe het kwaad in de wereld komt, maar een verhaal dat de zoektocht van ieder mens herkent en erkent. Het is belangrijk om dat tijdens het lezen van dit boek telkens te blijven bedenken, dat het eerst en vooral een verhaal is dat de worsteling en de vragen van mensen serieus neemt, en niet een theorie die het antwoord biedt op al onze vragen. Anders lezen we met verkeerde verwachtingen.

Hoe zit het verhaal in elkaar? Het boek Job is uiterst knap gecomponeerd: het bestaat uit een raamvertelling – het begint en eindigt met een verhalend gedeelte waarin de achtergrond wordt geschetst van wat Job overkomt. In een bijna sprookjesachtige vertelling horen we wat er allemaal gebeurt in het leven van Job, maar ook achter de schermen – we horen wat er op aarde gebeurt, maar we krijgen ook een kijkje in de keuken van de hemel. Van dat verhaal hebben we vanmorgen een groot gedeelte gelezen: het begin. Maar het grootste gedeelte van het boek Job bestaat niet uit verhaal, maar uit poëzie: het gesprek tussen Job en zijn vrienden, en tussen Job en God zelf, wordt weergegeven in een stroom aan dichtregels.

Met dat poëtische gedeelte – de gesprekken tussen Job en zijn vrienden, en de toespraak van God, wil ik later deze zomer aan de slag. Maar eerst gaat we terug naar het verhaal waarmee het boek Job opent. Zoals gezegd, daarin wordt verteld wat voor ellende Job allemaal overkomt, maar we krijgen ook een kijkje in de keuken van de hemel. We krijgen te horen hoe God en de satan als het ware onderhandelen over het geloof van Job. De satan – letterlijk vertaald: de aanklager – zaait twijfel over het geloof van Job. Is Job wel zo vroom als hij lijkt? Of is hij alleen maar vroom zolang het hem goed gaat?

Als lezers krijgen we zo de achtergrond te horen van wat Job straks overkomt. Iemand vergeleek het met een programmaboekje voor een concert – je krijgt wat extra informatie bij de muziek die je straks gaat horen, zodat je beter begrijpt wat je hoort. Let wel, Job zelf krijgt deze informatie niet! Job krijgt van dat hele gebeuren in de hemel niets mee, hij moet het doen met wat het leven hem brengt, met alle mysteries die daar bij horen. Ook later wordt hem er niets over onthuld, zelfs niet in zijn ontmoeting met God. Trouwens, wat zou hij daarvan gedacht hebben, als God hem had meegedeeld dat zijn leven de inzet was van een ordinaire weddenschap…  Sorry Job, het was maar een test…!

Maar wij als lezers krijgen het wel mee, en de vraag is wat de schrijver van dit verhaal ons wil zeggen, wat hij aan de orde wil stellen. De scene in de hemel roept ook voor ons veel vragen op: zit God echt zo in elkaar? Moeten we elk lijden opvatten als een soort beproeving: een test, of ons geloof het wel uithoudt?

Opnieuw: het is belangrijk om dit verhaal niet te lezen als een soort algemene verhandeling over hoe het zit – met het kwaad, met God, maar om het verhaal verhaal te laten zijn, en om de vragen te laten staan zonder meteen met een oplossing te komen.

Wat de schrijver aan de kaak wil stellen is het soort geloof dat alleen draait om voor wat-hoort-wat. Hij verzet zich tegen een theologie die ervan uitgaat dat God een soort morele boekhouder in de hemel is die de goede daden optelt en de slechte daden aftrekt, en zo het totaalsaldo bepaalt. Hij komt in opstand tegen een theologie die alleen maar kan denken in termen van straf of beloning: als het je goed gaat, is dat een beloning voor je vroomheid, als het je slecht gaat is het je eigen schuld en heb je kennelijk iets verkeerd gedaan.

Het scherpst vind ik dat voor-wat-hoort-wat geloof verwoord bij de middeleeuwse mysticus en theoloog Meister Eckhart, die het volgende zegt:

“Veel mensen willen God aanschouwen met de blik waarmee ze naar een koe kijken, en willen God liefhebben zoals ze een koe liefhebben. Je houdt van een koe vanwege de melk en de kaas, en in het algemeen van het voordeel dat je van haar hebt. Hetzelfde doen mensen die God willen liefhebben ter wille van uiterlijke rijkdom of innerlijke troost. Zij hebben God niet echt lief, want zij houden niet van God, maar van hun eigen voordeel.”

Door dat vreemde gesprek tussen God en de aanklager, in de wisselwerking tussen die twee, stem en tegenstem, vertrouwen tegenover wantrouwen, doemt de vraag op: waarom zijn mensen eigenlijk trouw aan God, waarom geloven we in Hem, wat is geloven in de kern, is het om het voordeel dat we eruit halen, om wat het oplevert, of is het om niet, om God zelf, uit liefde tot God? Wat kan je geloof verduren? Als het leven anders loopt dan je gehoopt en gedacht had, blijft die band met God bestaan of haak je teleurgesteld af? Dat is een vraag die voor ieder die gelooft wel van belang is.


Je kunt het vergelijken met relaties die wij mensen onderling aangaan, waarin toch - soms openlijk, soms verborgen - vaak verwachtingen meespelen over wat die relatie je oplevert. Met je partner, met vrienden, met familie. Hoe makkelijk raak je niet verstrikt in het patroon van voor-wat-hoort-wat. Hoe vaak breekt het relaties of vriendschappen niet op als je hetzelfde verwacht te ontvangen als wat je geeft. En uiteindelijk blijft de vraag in het midden achter: waarop was die liefde, die relatie, die ene vriendschap nu werkelijk gestoeld? Was het werkelijk om diegene zelf, om de liefde, om de vriendschap, of was het toch gebaseerd op een patroon van verwachtingen, van geven en nemen, van winst behalen, er je voordeel mee doen?

In het verhaal lijkt Job het voorbeeld te geven van wat geloven om niet betekent. Hij houdt ondanks alles wat hem is overkomen vast aan zijn geloof en spreekt de beroemde woorden: “De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij gesprezen.” Hij zondigde niet, en maakte God geen enkel verwijt, staat er.

Is dit het toppunt van geloof, of is zulk een geloof gekkenwerk, iets dat je van gewone mensen niet mag verwachten? Is het misschien niet zo dat Job deze woorden zegt uit gewoonte, dat hij ze maar blijft zeggen om in ieder geval enig houvast te hebben? Zegt hij ze omdat er verder niets meer te zeggen valt, een laatste strohalm? Een soort reflex van een vrome man, die de dingen die hem zijn overkomen, nog bij lange na niet verwerkt heeft?

Wanneer Job geconfronteerd wordt met nieuwe beproevingen en zijn vrouw hem in haar wanhoop voorhoudt dat hij toch echt niets van God te verwachten heeft, lijkt het alsof zijn eerste woorden rechtovereind blijven staan. Job zegt nu: al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden? En Job zondigde met zijn lippen niet, wordt ons dan verteld. Toch, als we zijn reactie goed beluisteren, is Job al heel wat minder stellig. Hij spreekt niet langer in vaste geloofsformules, maar hij spreekt vragenderwijs. Hij krijgt het niet meer over zijn lippen om God te prijzen. Job zondigt met zijn lippen niet, staat er, maar wat denkt hij in zijn hart? Nu het leed tot Job begint door te dringen, tot op zijn eigen huid, verandert er wel iets in zijn geloof. Zijn geloof wordt minder zeker, minder stellig geformuleerd, maar vragenderwijs blijft hij aan God vasthouden. Vanuit een vroomheid die geworteld is in een vast vertrouwen in God, leert Job vragen stellen, eerst aarzelende vragen, later (zullen we zien) ook boze en opstandige vragen. Jobs geloof wordt steeds koppiger. Hij weigert God los te laten en hem vaarwel te zeggen. Gaandeweg zal Job zijn eigen woorden leren vinden om God aan te spreken. Hij leert dat hij midden in de wereld die aan scherven ligt in God een aanspreekpunt heeft.

Is het geloof van Job gekkenwerk? Is het dwaasheid om pro deo te geloven? Heeft zo'n geloof ons iets te bieden? Jobs geloof is geen geloof dat de wereld netjes en overzichtelijk maakt. Het is geen geloof naar menselijke maat gesneden. Het is meer een koppig vasthouden aan vertrouwen, aan liefde, ondanks alles. Maar Job blijft er wel mens bij. Ondanks de vuilnishoop en de potscherf, ondanks zijn vragen en zijn opstandigheid verliest hij nergens zijn menselijke waardigheid. Is het misschien dan toch zijn geloof, dat hem als mens bewaard te midden van het lijden?

We gaan luisteren naar het lied Nulpunt van Stef Bos, een lied dat hij schreef over de figuur van Job.

Nulpunt

Nu ik alles heb verloren
En de stilte mij verwacht
En ik mijzelf heb teruggevonden
Daar waar ik dacht dat ik niet was

Nu ik alles los moet laten
En het donker mij omarmd
Alle grond is weggeslagen
Moe gevochten en gestrand

Sta ik in de open vlakte
Weet niet wat nog te geloven
En ik heb niets meer te verliezen   
Dus ik geef me beter over

Nu ik de grens heb leren kennen
Tot waar mijn handen kunnen gaan
Nu ik weet wat mij te doen staat
Gebouwd op wat ik heb gedaan

Nu ik zie hoe op het nulpunt
Ik door de leegte wordt gered
En verbaasd ben hoeveel liefde
Zich altijd weer naar buiten vecht

Ik sta hier in de open vlakte
Weet niet wat nog te geloven
En ik heb niets meer te verliezen   
Dus ik geef me beter over

(Van de cd: “In een ander licht ”)

© 2018 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.