• Start
  • Preken
  • Magnuskerk - da. H.E. de Boer

22 juli

lezing: Job 38 en gedeelten uit 40/42

overweging

‘En toen gaf de Onuitsprekelijke Job antwoord...’

Nu komt het, denk je dan, nu krijgen we eindelijk antwoord op de grote vragen die Job stelde, nu krijgen we te horen hoe het zit. Het gesprek tussen Job en zijn vrienden is gestokt, alle argumenten zijn genoemd, eindeloos is er gepraat maar ze zijn er niet uitgekomen. Al die uitvoerige redeneringen, die God proberen te verdedigen en die Job veroordelen, alle menselijke woorden zijn stil gevallen. Ook Job zwijgt. Er is de stilte voor de storm. Het is nu, alleen nog maar Job. Alleen met zichzelf. En dan steekt de storm op. Het gaat waaien. En in het geweld van de wind antwoordt de Eeuwige.

Je verwacht dat dit het hoogtepunt van het boek wordt, dat het verlossende woord hier gesproken gaat worden. Maar, ik weet niet hoe het u vergaat, ik blijf na die stortvloed van woorden met een onbevredigend gevoel achter. Hoe prachtig de beelden ook zijn – in geuren en kleuren wordt Gods schepping geschetst – is dit nu een antwoord op Jobs vragen? Nergens gaat God in op de concrete situatie van Job, nergens een woord van troost, alleen maar vragen, vragen, vragen. En nog retorische vragen bovendien, vragen waar Job niet zoveel anders op kan zeggen dan: ik weet het niet God, ik ben ook maar een mens…

 

Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Heb jij ooit de morgen ontboden?
Ben jij doorgedrongen tot de bronnen van de zee?
Vertel het me, als jij zoveel weet…

Hebben God en Job hier wel werkelijk contact, kun je je afvragen. Is er wel iets van een vertrouwensband te merken? Is dit nu waar Job op zit te wachten? Is dit waarom hij God zo graag wilde spreken? Wat moet je hier nu van vinden, van zo’n antwoord, wat vindt Job ervan?

Maar voordat we ons gaan verdiepen in dat antwoord van God, is het goed om ons eerst nog eens af te vragen wat nu precies de vraag van Job was. Hij zegt dan wel aan het einde van zijn betoog: Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven, maar op welke vraag precies? En misschien moeten we het ook nog breder trekken: wat zou eigenlijk onze vraag aan God zijn als we getroffen worden door lijden en verdriet? Waar zouden we van God een antwoord op willen? Wat zouden we van Hem willen horen?

Is dat een antwoord op de waarom-vraag: waarom overkomt mij dit? Zou het werkelijk helpen als die waarom-vraag werd beantwoord, als er een reden werd gegeven voor het lijden dat je overkomt. Is er op die waarom-vraag eigenlijk wel een goed antwoord denkbaar, of is de vraag veelmeer een noodkreet, een roep van wanhoop, die niet zozeer vraagt om een sluitend antwoord, maar veelmeer om nabijheid, en troost.

Een andere vraag die we mogelijk aan God zouden kunnen  voorleggen is de vraag: waaraan heb ik dit verdiend? Achter die vraag gaan vaak nog andere vragen schuil, namelijk: had ik iets kunnen doen om dit te voorkomen, had ik anders kunnen handelen, had ik het tegen kunnen houden. Vragen die gepaard kunnen gaan met schuldgevoel, zelfs al zal iedereen zeggen dat er van schuld geen sprake kan zijn – bijvoorbeeld in het geval van ziekte, of van een ongeval – dan nog kan zo’n schuldgevoel aan je knagen. Ook de vraag ‘God, waaraan heb ik dit verdiend?’ vraagt niet zozeer om een concreet antwoord als wel om een zoeken naar verlossing van die schuld of dat schuldgevoel.

‘Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven!’ roept Job uit. Maar wat hij zoekt, is misschien niet eens zozeer een antwoord, in de zin van een overzichtelijke opgave van de redenen waarom hem dit is overkomen. Job vraagt God niet zozeer om een sluitende verklaring, om een theorie waarmee alles te begrijpen valt. Nee hij vraagt om God zelf, hij vraagt om een teken van Zijn betrokkenheid. Bent u daar nog God, kan het u nog iets schelen wat mij overkomt? Bent u mijn vriend, of bent u mijn vijand? Het is alsof Job vooral tegen God uitroept: zeg toch iets, spreek, blijf niet langer zwijgen, laat me niet langer alleen met mijn eigen gedachten of die onzinnige redeneringen van mijn vrienden over U waar ik geen kant mee op kan, zeg toch iets, laat van je horen, God.

En dan dat antwoord van God. Dat stormachtige, overdonderende antwoord dat Gods grootheid bezingt. Een prachtig lied over de schepping, maar wat zegt het over Job en zijn situatie? Het lijkt erop dat deze stortvloed aan woorden alleen bedoeld is om Job klein te maken, om hem op zijn nummer te zetten: ‘Bedenk goed Job, jij bent maar een mens en God is God’.

De Joodse schrijver Abel Herzberg schreef de prachtige kleine novelle ‘Drie rode rozen’, waarin de hoofdpersoon Salomon Zeitscheck tijdens de tweede wereldoorlog eenzelfde lot ondergaat  als Job: hij raakt zijn werk en zijn geld kwijt, zijn kinderen worden weggevoerd, zijn vrouw doodt zichzelf uit pure wanhoop. Deze Zeitscheck komt uiteindelijk tot de conclusie dat Job zich te snel laat overdonderen door God en te snel het hoofd lijdzaam buigt, nadat hij zo vol vuur God had aangeklaagd. In het boek schrijft hij een brief aan Job, waarin hij zegt:
“Ik heb er geen vrede mee, Job, dat je gezwicht bent en je proces niet hebt doorgezet. Er moet recht gesproken worden tussen jou en God, en ik sta aan jouw kant. Jij, Job, zult de aanklager zijn en de havelozen, de kinderlozen, de vader- en moederlozen, de door de wereld verdoemden, zul je oproepen als je getuigen.”
Ook Herzberg kan geen vrede hebben met het antwoord van God. Job had God langer moeten ondervragen, zegt hij.

En toch wringt dat beeld dat God hier Job monddood wil maken. Dat hij hem stil wil krijgen met overdonderende taal - dat het God daar om te doen zou zijn. Alleen al als je het begin van het boek leest, waarin God spreekt van Job als een trouwe vriend en waarin zijn zorg voor Job doorklinkt, dan rijmt niet dat met het beeld dat God Job nu van zich af wil schudden als een lastpost, als een vervelende vragensteller. Met een slikken of stikken antwoord.

Wat er gebeurt in dat antwoord van God is, dat er nadat je hoofdstukken lang ingezoomd bent geweest op één mens, met één concreet levensverhaal vol moeite en pijn, dat God met zijn vragen over zee, aarde, hemel, diepte, hoogte ineens het perspectief laat verspringen. Je zoomt uit, je ziet ineens het grotere geheel, de grote samenhang die dat ene concrete mensenleven overstijgt. Het deed mij denken aan de onuitwisbare indruk die het op astronauten maakt als ze de aarde vanaf een afstand hebben gezien, iets dat je zelf soms kan ervaren als je vanuit een vliegtuig naar beneden kijkt en over een grote stad heen vliegt.

Aan de ene kant weet je dat er daar op de grond miljoenen mensen zijn met allemaal hun eigen verhaal, hun eigen vreugde en verdriet en tegelijkertijd lijkt het vanuit de lucht zo klein, zo betrekkelijk. Zoiets gebeurt daar in dat antwoord van God aan Job, er wordt uitgezoomd, het perspectief wisselt, er komt afstand tot dat verhaal van Job alleen.

En tegelijkertijd gebeurt er iets anders, iets wezenlijks dat meer verborgen is, namelijk dat hier voor het eerst weer de godsnaam wordt gebruikt. Hoofdstukken lang werd alleen de aanduiding Elohim gebruikt: God als abstractie, als idee – een God op afstand. Maar juist hier, in dit gedeelte klinkt plotseling weer de naam van God, die vertaald wordt met: Ik zal er zijn, Ik ben erbij. Een naam die nabijheid, vertrouwdheid en tegelijkertijd iets van een geheim oproept. Juist hier wordt God weer een levende aanwezigheid. Iemand die werkelijk tot je spreekt, die dichtbij komt, die dichtbij Job komt.

Twee tegengestelde bewegingen lijken het: uitzoomen en inzoomen. Aan de ene kant komt het verhaal van Job in een wijder perspectief te staan, aan de andere kant komt God en wie Hij is, dichterbij en toont hij zich als een betrokken en zorgzame God.

In die hele beschrijving van de schepping gaat het er niet zozeer om dat Job klein gemaakt wordt en dat hem de mond gesnoerd wordt, maar God wijst Job er op dat hij deel is van een groter geheel. Dat hij, hoe klein en nietig ook, deel mag hebben aan de stroom van het leven, aan al dat leven dat door Gods zorgzame aandacht wordt omringd. Dat hij gezien en gehoord wordt, te midden van heel die grootsheid van aarde, zee, licht, hoogte en diepte, gekrioel van levende wezens.

Salomon Zeitscheck, de hoofdpersoon uit het boekje van Abel Herzberg, verwoordt het aan het eind van zijn brief aan Job zo:

Want alles is fragment

Al door het zeggen van het woord

deelt men, scheidt men en schendt

het al omvattende, dat men niet kent,

dat ik aanwezig weet, of alleen maar vermoed,

dat ik niet uitspreken kan en toch uitspreken moet,

dat mij beheerst, dat mij te luisteren gebiedt,

en als ik zoek en luister, dan vind ik het niet.

 

Eén troost blijft:

Er is in ieder woord een woord,

dat tot het onuitspreekbare behoort;

Er is in ieder deel een deel

van het ondeelbare geheel,

Gelijk in elke kus, hoe kort,

het hele leven meegegeven wordt

Hoe klein en fragmentarisch ook, hoe onaf en gebroken ook, elk leven doet er toe – het is niet voor niets, het vindt zijn thuis in God. Zo versta ik deze woorden.

Biedt dit Job troost? Is het een antwoord op al zijn vragen en klagen? Is het iets waar hij mee verder kan?

Professor Miskotte schreef heel mooi:

Zo vindt een mens geen oplossing van zijn vragen maar een verlossing uit zijn vragen, uit wanhoop en donkere eenzaamheid, een verlossing ook uit de beperktheid van de menselijke antwoorden.

Misschien dat zoiets gebeurd is met Job. Dat aan al zijn vragen en zoeken naar God, naar zin en samenhang in het lijden uiteindelijk een einde komt. En dan niet als een dooddoener, zo van: je komt er toch nooit achter, je krijgt er toch geen antwoord op, dus begin er maar niet aan. Nee, de weg die Job vooraf is gegaan hoort erbij, is noodzakelijk. God er met de haren bij slepen, en net zo lang roepen tot God tot je "antwoord" vindt. Maar misschien is dat antwoord vooral wel dat je op een dag ook mag ophouden met vragen, denken en zoeken. Dat je ontdekt dat je vragen gehoord zijn door die Ene die zegt: Ik zal al je vragen en al je verdriet en pijn bewaren. Ik ben er bij.

© 2018 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.