• Start
  • Preken
  • Magnuskerk - da. H.E. de Boer

lezingen: Jesaja 8: 11-15 en Lucas 2: 22-40

overweging

Op deze zondag na kerst is de rust weergekeerd. Het grote feest is voorbij, er is tijd voor wat meer kalmte en bezinning. En toevallig valt de zondag na kerst dit jaar samen met het einde van het oude jaar: ook al een aanleiding om stil te staan bij wat achter ons ligt.

Toch blijven we nog wat in de sfeer van Kerst: de verhalen uit het begin van het Lucasevangelie houden ons in de buurt van het kindeke Jezus. We zitten, zeg maar, nog in de kraamtijd.

Lucas is trouwens de evangelist van wie we het meest te weten komen over de kindertijd van Jezus. Bij Marcus en Johannes vinden we daarover helemaal niets: zij laten hun verhaal pas beginnen als Jezus al volwassen is. Matteüs vertelt ons het verhaal van de wijzen die Jezus komen zoeken, maar Lucas staat er meest uitvoerig bij stil dat Jezus – net als alle mensen – ooit geboren en getogen is: mens geworden.

Toch gaat het ook bij Lucas niet om een biografie, een levensbeschrijving waarin zoveel mogelijk feiten over Jezus aan het licht komen. Zijn geboorteverhalen zijn zorgvuldig gecomponeerd en willen vooral duidelijk maken waar Jezus leven om draait. Hij is in zijn verhalen meer bezig met verkondiging, met het overbrengen van een boodschap, dan met beschrijving.

Het begin van Lucas’ evangelie laat zich lezen als een drieluik, een schilderij met drie panelen. En op elk van die panelen is een man en een vrouw te zien. In het midden, het meest centrale paneel, vinden we Jozef en Maria, met het kind dat zij ontvangen hebben. Links van hen zien we Zacharia en Elizabeth die naar Jezus’ komst uitzien. En op het rechterpaneel kijken Simeon en Hanna dankbaar terug.

Simeon en Hanna zijn als het ware het spiegelbeeld van Zacharia en Elizabeth – beide paren zijn verbonden aan de tempel, het centrum van het joodse geloof. Zacharia en Elizabeth leven in hoop en verwachting, terwijl Simeon en Hanna de vervulling meemaken van waar zij op hoopten: de geboorte van een kind, een nieuw begin van leven. Simeon en Hanna zien wat Zacharia en Elizabeth nog niet zagen.

Zo kun je ernaar kijken: het ene paar leeft toe naar de belofte, het andere paar maakt mee dat de belofte wordt ingelost. Maar, en dat realiseerde ik me eigenlijk nu pas voor het eerst echt, toen ik het verhaal weer opnieuw las: wat zíen Simeon en Hanna nu eigenlijk? Zij zien een kwetsbaar klein kind, meer niet. Zijn optreden als volwassene zullen ze niet meer meemaken. Ook zij hebben dus eigenlijk niet meer in handen dan een belofte. Hun zien is vooral geloven.

In die zin lijken ze op Mozes, die met zijn volk naar het beloofde land trok, maar er zelf – net niet- zou binnengaan. Hun hoop gaat in vervulling, de belofte wordt werkelijkheid, maar die werkelijkheid reikt over de grenzen van hun eigen persoonlijke leven heen. Je zou dus kunnen vragen: Wat hebben zij er zelf nog aan? Wat heb je aan een belofte als je de vervulling zelf niet mee kunt maken?

Eigenlijk is dat ook een vraag aan ons: hebben wij eigenlijk meer in handen dan een belofte? En wat hebben we daar dan aan? We hebben de geboorte van Christus uitgebreid gevierd. Maar is er wezenlijk iets veranderd? Of moeten we constateren dat we eigenlijk nog steeds aan het wachten zijn? Omdat er ook zo heel veel onvervuld is gebleven… Omdat de vrede zich nog steeds niet aandient…

Ik wil u een verhaal voorlezen dat ik deze week tegenkwam in een boek van een hedendaagse Ierse theoloog, Peter Rollins. Hij schreef De orthodoxe ketter: een boek vol dwarse en tegendraadse verhalen, die soms flink schudden aan onze ideeën over geloven en leven, en ons zo weer wakker maken.

Wachten op de Messias (uit: Peter Rollins – De orthodoxe ketter)

Er bestaat een oud verhaal dat gaat over de wederkomst van de Messias. Daarin wordt verteld dat hij op een grijze maandagochtend volstrekt anoniem aankwam bij de poorten van een grote stad om het werk van zijn Vader te doen.

Werk was er genoeg. Want hoewel er vele jaren voorbij waren gegaan sinds zijn laatste bezoek was er nog veel mis. Er waren nog steeds veel armen, zieken en mensen die werden onderdrukt. Er waren nog steeds veel verschoppelingen. En hoewel er ook nog steeds veel mensen waren die zich voor hen inzetten en bleven hopen op een rechtvaardige wereld, ging de uitbuiting door.

Lange tijd schonk niemand aandacht aan de eenzame zwerver met het verweerde gezicht en de haveloze, stoffige kleren; de stille man die zijn dagen doorbracht bij de zieken en bij ongewenste types. Het was een grote stad, zodat niemand wist wie er binnen haar poorten verbleef.

Maar, zo gaat het verhaal, ten slotte besloot de Messias zijn identiteit aan een aantal uitverkorenen te onthullen: mensen die trouw waren gebleven aan zijn leer. Het was een schamel groepje dat samenkwam om te bidden en zich inzette voor de armen. In een kleine, onbeduidende kerk aan de rand van de stad kwamen ze bij elkaar.

Toen de Messias op een zondagochtend de bescheiden ruimte binnenkwam, werd hij getroffen door het groepje dat zich in de hoek had verzameld, biddend en smekend om de dag des Heren. Terwijl ze baden voelden ze hoe de intense blik van Christus langzaam hun ziel binnendrong. Het werd stil in de kring toen ze zich realiseerden wie het huis van God was binnengekomen. Geruime tijd durfde niemand iets te zeggen. Tot de leider van de groep al zijn moed verzamelde, naar Christus toeliep, voor zijn voeten neerviel en uitriep: "Wij hebben zo lang gewacht op uw terugkeer. Jarenlang hebben we geduldig naar uw komst uitgekeken. Ook vandaag, net als iedere andere dag, hebben we daarom gebeden:'

Toen stond hij op, keek Christus in de ogen en zei: ‘Nu u bij ons bent heb ik één vraag'. Christus luisterde, maar wist al wat de vraag zou zijn. "Vertel ons wanneer u zult u komen!" De Messias antwoordde niet maar glimlachte alleen. Toen voegde hij zich bij de anderen met hun gebeden en hun tranen. En hij is daar tot op de dag van vandaag. Wachtend en dienend in dat kleine onbetekenende kerkje aan de rand van de stad.

Het is een verhaal dat aan het denken zet.

In de eerste plaats zegt het mij dat de komst van Christus in de wereld niets triomfalistisch heeft. Hij komt met stille trom, als een zwerver zonder plek, als een kind in een stal. Het is niet zo dat met de komst van Christus alle problemen in de wereld ineens zijn opgelost.

Maar, zoals we aan het begin van deze dienst hebben gezongen (lied 489):

Geen ander teken ons gegeven

geen licht in onze duisternis

dan deze mens om mee te leven

een God die onze broeder is…

Deze mens laat ons een God zien die naast ons staat, die mèt ons gaat. Hij is ons rakelings nabij. God niet als de grote oplosser van al onze nood of verdriet, maar als Een die meeleeft en mee-lijdt, als een steun in de rug.

Er is nog iets waarover ik aan het denken gezet wordt door dit verhaal:

Maakt het nu iets uit, of Christus mee-wacht met de mensen van dat kleine kerkje? Is het wachten voor zijn komst nu anders dan het wachten na die tijd?

Of, om nog even aan te haken bij het bijbelverhaal waarmee we begonnen: is het wachten van Zacharia en Elizabeth anders dan het wachten van Simeon en Hanna?

Peter Rollins, de verteller van het verhaal, zegt in zijn toelichting op het verhaal dat er een verschil is tussen het wachten op een bijzonder iemand, en het wachten op iemand in het bijzonder. Je kunt wachten op de ware Jacob, zonder een notie te hebben van hoe hij er uit zal zien. En je kunt, als je eenmaal een relatie hebt, wachten op je geliefde, die je kent en vertrouwt. Het ene is een verlangen op een abstract niveau, het andere is een verlangen naar iemand in het bijzonder. En dat is anders.

De komst van Christus heeft dus, zo versta ik het verhaal, onze hoop en ons verlangen concreter gemaakt, betrokkener, menselijker en aardser. Tijdens zijn leven zal Jezus tekenen oprichten van Gods koninkrijk: door mensen te genezen, door aan zijn tafel mensen uit te nodigen die gewoonlijk veracht worden, door zijn leerlingen de weg te wijzen, dor zijn eigen leven niet te sparen maar van uit te delen. Hij zal laten zien dat dat koninkrijk van God geen wazige, wereldvreemde droom is, maar dat het zich laat zien voor wie het wil zien: daar waar mensen elkaar recht doen, liefhebben, voor elkaar opkomen, in vertrouwen op de Eeuwige. Midden onder u staat hij die gij niet kent…

Daar loopt het leven zelf,

daar gaat de hoop,

verwachting is op weg naar het

onbekende

zo kwetsbaar en zo broos.

Het oude, altijd nieuwe leven

is weer opgestaan.

Het is weer klein geworden,

argeloos en gaat opnieuw op weg,

nieuwsgierig of het nooit

is hier geweest.

(Marijke de Bruyne)

© 2017 PKN Anloo - Zuidlaren | Alle rechten voorbehouden.