Protestantse Gemeente Anloo - Zuidlaren

Start Laarkerk Wijkraad Predikanten ► Preek zondag 11dec11
 

111211 Zuidlaren

Jesaja 65: 17-25 1 Tess. 5: 12-24 Wederkomst

 

Gemeente van de Heer,

Er is de laatste week wat ophef ontstaan over het Efraïm-genootschap van secte-leider Heinrich van Geene, de man die zichzelf beschouwt als de reïncarnatie van de profeet Elia. Ooit een groep van zo’n 150 leden, wachtten ze in 2001 het einde der tijden af dat Van Geene had voorspeld. Zijn voorspelling kwam niet uit, en het aantal volgelingen nam snel af. Het zouden er nu nog ongeveer 15 zijn. Gebroken met hun families en vrienden, leiden ze een geïsoleerd bestaan. Vorige week zijn ze ineens verdwenen en het vermoeden is dat ze naar Israël zijn vertrokken. Misschien op daar opnieuw het einde van de wereld af te wachten?

Familie-leden maken zich grote zorgen. Terecht volgens uitgetreden secte-leden, die zich bovendien verraden en bedrogen voelen; ook al omdat Van Geene grote sommen geld ontving in de aanloop naar 2001. Zijn volgelingen zouden hun kapitaal immers na het einde der tijden toch niet meer nodig hebben… Voor wie van een afstand de berichten in de krant een beetje volgt, gaat het hier om een wat op-hol-geslagen beweging, die aan de haal is gegaan met wat in de theologie wel de eschatologie heet: de leer van de laatste dingen. Die leer gaat over de vernieuwing van de aarde, en dikwijls wordt in duistere beelden voorspeld hoe dat zal gaan. Dood en verdrukking zullen over de aarde komen. Het Bijbelboek Openbaring spreekt in navolging van de profeet Zacharia over vier ruiters die dood en verderf zullen zaaien. Maar daarna zal het nieuw Jeruzalem op aarde neerdalen en zal het koninkrijk van God op aarde worden gevestigd.

In de Bijbel zijn dit soort voorspellingen voldoende te vinden. Bij verschillende profeten in het Oude Testament, maar ook in het Nieuwe. Jezus’ beroemde ‘rede der laatste dingen’ gaat hierover en het gehele Bijbelboek Openbaring, dat ook wel Apocalyps, wordt genoemd staat in dit teken. Bij de allervroegste volgelingen van Jezus was het ook bepaald een thema, en leek zelfs wel wat op het Efraïm-genootschap. Ook daar was gemeenschap van goederen aan de orde, verkochten mensen hun bezittingen, en trokken ze naar Jeruzalem. Of liever gezegd: bleven ze in Jeruzalem, terwijl dat met de kruisiging van Jezus niet bepaald de meest veilige plaats was voor Zijn volgelingen. Maar ze leefden in de spoedige verwachting dat Jezus terug zou keren op aarde en dat zou in Jeruzalem gebeuren, vandaar dat ze bleven.

Toch schemert in het Nieuwe Testament ook een zekere terughoudendheid door: ‘van die dag en ure weet niemand, behalve de Vader’ waarschuwt Jezus. Het einde der tijden is niet aan ons om te kunnen voorspellen. God zal te Zijner tijd de aarde vernieuwen. Dat is het perspectief, daarop mag hoop gericht zijn, maar wij hebben het niet in onze macht. Om die reden is ook het Bijbelboek Openbaring in de vroegste kerk lang tijd omstreden geweest. Zoals we zullen weten heeft het Nieuwe Testament pas de loop van de 3e/4e eeuw vorm gekregen. Uit een veelheid aan Christelijke geschriften die in de loop van de 1e en 2e eeuw waren geschreven, werd uiteindelijk een selectie gemaakt van boeken met speciaal gezag. De vier evangeliën, zoals we die uit de Bijbel kennen, waren tamelijk vanzelfsprekend (en een aantal andere evangeliën zoals die van Maria, Thomas en Judas niet). Ook de brieven van Paulus en Handelingen waren breed geaccepteerd. Maar juist over Openbaring bestond aarzeling, en de reden was het apocalyptische karakter. In de Oosters-orthodoxe kerken wordt het boek niet in de liturgie gebruikt.

Toch blijft de wederkomst van Christus de horizon van het Christendom. Zeker ook in de advent moeten we daar bij stil staan. Het kerstfeest is immers het feest van de geboorte van Jezus, en daarmee het feest van de vleeswording van Christus. Maar het gaat niet zomaar om terugblikken naar een moment in het verleden. Het gaat er vooral om dat God Zijn schepping niet heeft gelaten voor wat die is, maar deel heeft worden van de geschiedenis en met ons meeloopt. En dat heeft niet alleen betrekking op het gebeuren in de kerststal, maar omspant de geschiedenis. In Christus is de schepping vervolmaakt, maar is ook al de bedoeling van de schepping openbaar geworden, en dat sterkt zich uit ook naar de toekomst. Schepping en voltooiing zijn in de christelijke theologie samenhangende begrippen, en de geschiedenis beweegt zich daar tussen in. Hebben wij dan nog begrip van het einde der tijden?

De allereerste volgelingen van Jezus rekenden met een spoedige wederkomst; wij kijken wat misprijzend naar de Efraïm-secte. Voor ons is het einde der tijden geen nabije, concrete realiteit. Wij verkopen onze huizen en bezittingen niet, en plannen onze vakanties, want na eeuwen van wachten denken wij niet dat het hemels Jeruzalem ieder moment in Zuidlaren kan neerdalen.

Maar misschien is dat ook wel erg plat gedacht. Alsof de geschiedenis een doos van tijd is, waarbij begin en einde door God worden bepaald. En die ongeacht de inhoud open ging en dicht gaat. Alsof de geschiedenis er eigenlijk niet toe zou doen. Het verrassende van het kerstfeest is juist dat God zich wèl druk maakt om de geschiedenis, want in Christus wordt Hij er deel van. Maar betekent dat niet het in Christus ook al voor een deel realiteit is geworden? Dat wij er wellicht al deel van kunnen worden, kunnen zijn? Als we Hem toestaan te komen, in onze levens. Een wederkomst die niet als donderslag bij heldere hemel, maar stilaan de wereld binnensijpelt.

Zo lijkt Paulus het te beschrijven. In de slotzinnen van zijn brief aan de inwoners van Tessalonica houdt hij de broeders en zusters voor vooral te leven zoals God dat heeft bedoeld. Speciale aandacht vraagt hij voor hen die de gemeente leiden en terecht wijzen (woorden die predikanten natuurlijk graag onderstrepen; hoewel dat naar mijn gevoel hier in Zuidlaren geen speciale beklemtoning vraagt). Maar het zwaartepunt ligt bij zijn oproep dat iedereen ‘leeft in vrede met elkaar.’ ‘Wij sporen u aan,’ schrijft Paulus, ‘iedereen die zijn dagelijks werk verwaarloost terecht te wijzen, de moedelozen hoop te geven, op te komen voor de zwakken, met iedereen geduld te hebben.’ Paulus roept op om in vrede te leven, maar óók, voor alle duidelijkheid, om het dagelijks werk niet te verwaarlozen. Juist dat zou onder spanning kunnen komen als de wederkomst aanstaande is, want welk nut zou het nog hebben? Eschatologische bewegingen trekken zich typisch terug uit het dagelijks leven, vaak om te bidden en te verwachten, maar Paulus roept op om de dagelijkse dingen gewoon te doen.

En dat is niet omdat hij geen ernst wil maken met de opdracht van de Heer, maar om dat juist wel en heel aktief te doen: ‘Zie erop toe,’ schrijft hij verder, ‘dat niemand kwaad met kwaad vergeldt en streef altijd naar het goede, zowel voor elkaar als voor ieder ander. Wees altijd verheugd, bid onophoudelijk, dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt.’ Als volgelingen van Christus is het niet een stil-maar, wacht-maar, op de dingen die komen gaan. Maar is het meewerken aan het koninkrijk. Als volgelingen van Christus zijn wij één met Hem en mogen daarmee het werk dat Hij begon voortzetten. Ongetwijfeld zullen we daarin tekort schieten, en zijn we de mindere van Christus zelf. Maar dat mag geen excuus zijn het er maar bij te laten. Dat zou wel kunnen, suggereert Paulus. Hij roept ons op om ‘de Geest niet uit te doven en de profetieën niet te verachten.’ Kennelijk kan dat wel, en is het aan ons om ernst te maken met de belofte van God. En dat vereist een aktieve geest, die zich afvraagt hoe we de boodschap niet alleen levend kunnen houden en door kunnen geven, maar ook gestalte kunnen geven. ‘Onderzoek alles,’ gaat hij door, en ‘behoud het goede. En vermijd elk kwaad, in welke vorm het zich ook voordoet.’

Zo worden volgelingen van Jezus dienaren voor Zijn doel. En rust ook op ons de verantwoordelijkheid hiermee aan de slag te gaan. Wij mogen handen en voeten geven aan het evangelie. Zou ons dat niet wat zwaar in de oren kunnen klinken; aanmatigend misschien? Vertrouwen wij onszelf niet toe wat God ons toevertrouwd? Hij geeft ons dat vertrouwen en rust ons daar ook voor toe: ‘Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand.’

De horizon ook bij Paulus is de komst van onze Heer Jezus Christus, maar daarop moeten wij niet wachten. De schilderingen van de heilsprofetie, zoals die bijvoorbeeld ook in Jesaja is verwoord, mogen ons bemoedigen en inspireren, maar het koninkrijk van God zal niet dàn pas realiteit zijn. Dat mogen wijzelf in onze eigen tijd al mee-gestalte geven. In alle bescheidenheid, en ongetwijfeld met vragen of we de juiste keuzes maken. Maar die vragen moeten we juist stellen, want het gaat er nooit om dat wij ons eigen program uitvoeren. Het eschatologisch perspectief van het komend heilsrijk geeft juist aan dat we Gods bedoelingen mogen helpen waar te maken.

Daarmee krijgt de geschiedenis een taak opgelegd. Maar het is geen onuitvoerbare of onmogelijke opdracht. Het is een taak die vanuit de liefde gestalte mag krijgen. Want liefde was de drijfveer om Christus naar de aarde te doen komen. In liefde mogen wij in al onze beperktheid en onvolkomendheid gekend en gezien en geliefd zijn. Maar uit die liefde mogen wij zelf leven en anderen tot hun recht laten komen.

In onze tijd, waarin het allemaal vooral om het individuele gewin lijkt te gaan, is dat de boodschap van een tegengeluid dat we zelf in onze eigen levens mogen laten horen. En waarmee we wel degelijk gestalte geven aan de aanwezigheid van God in onze wereld. Christus kwam daarom niet alleen in die kerststal tot ons, Hij mag binnen-in ons wonen. Dat mogen we ons in de voorbereiding op het kerstfeest realiseren. Het einde der tijden begint in ons eigen leven.

Amen

 

 

Terug

Preek van ds. W.H. Slob, op zondag 11dec11.