Protestantse Gemeente Anloo - Zuidlaren

Start Dorpskerk  Wijkraad  Predikant ► Preek zondag 22jan12
 

Schriftlezing: 1 Korintiërs 8

 

Gemeente!

Als christen leef je niet in een ‘reincultuur’, maar maak je deel uit van allerlei verbanden. Je gaat om met gelovigen en niet-gelovigen en je komt in aanraking met allerlei stijlen van leven en manieren van denken. Er zijn in onze geseculariseerde samenleving misschien nog enkele reservaten waar het lukt om louter onder gelijkgezinden te verkeren, maar de meeste christenen zijn zich er anno 2012 goed van bewust dat hun overtuiging één van de vele overtuigingen is waar mensen zich door laten leiden. Wij zijn langzamerhand een minderheid geworden. Of we dat nu leuk vinden of niet. Voor Paulus was dat tweeduizend jaar geleden overigens al de gewoonste zaak van de wereld. De christelijke gemeente van Korinthe is een kleine minderheid in een multiculturele samenleving die van alle kanten tegenspraak ondervindt en uitgedaagd wordt door anders-gelovigen. De stad werd bevolkt door Romeinse, Griekse en oosterse inwoners, die allemaal hun eigen religies, filosofische en esoterische stromingen en cultuspraktijken hadden meegebracht. Naast de verering van allerlei simpele huis-, tuin- en keukengoden, die geacht werden voorspoed te geven aan het gezinsleven, waren er de goden van de stad, noodzakelijk voor de politieke stabiliteit. En verder was er nog het officiële pantheon met klinkende namen als Zeus, Artemis, Aphrodite, Poseidon, elk ook weer met een speciale betekenis, en dan waren in de hellenistische tijd ook nog allerlei oosterse goden als Isis en Mithras mateloos populair geworden. Deze laatsten werden vereerd in zogenaamde ‘mysteriecultussen', waar leden moesten worden ‘ingewijd’ en hun kennis niet met buitenstaanders mochten delen.

Zeer waarschijnlijk zinspeelt Paulus hierop in het begin van het achtste hoofdstuk van zijn brief aan de Korintiërs, als hij schrijft: ‘zeker, het is waar dat wij allen kennis (in het Grieks: gnosis) bezitten. Maar’, gaat hij verder, ‘kennis maakt verwaand; alleen de liefde bouwt op. Wanneer iemand zich inbeeldt dat hij kennis bezit, is het toch nog niet de ware kennis.’ Met deze woorden lijkt hij zich te keren tegen de geheime kennis van de mysteriecultussen en maakt hij de liefde tot criterium van de ware godsdienst. Er waren en zijn vormen van religiositeit die grossieren in vaagheid en geheimzinnigheid en daarin hun aantrekkelijkheid vinden, een ‘kennis’ die slechts voor enkele ingewijden toegankelijk is en daarom het liefst naar het Griekse woord ‘gnosis’ genoemd wordt. Klinkt hoogst interessant. En wie zich er kritisch over uitlaat wordt door de ingewijden geacht ‘nog niet zover te zijn’, maar voor Paulus is dit allemaal veel te dweperig, veel te zweverig. Ware godsdienst wordt volgens hem gekenmerkt door de liefde, immers: alleen de liefde is in staat het beste in mensen tevoorschijn te roepen en ze te doen uitgroeien tot kinderen van het licht. Zo heeft hij dat van Jezus geleerd. Het mysterie is niet te beleven in geheime esoterische kennis, maar in een mens in wie de goddelijke liefde vlees en bloed geworden is en die ons oproept te leven in zijn voetsporen. Alleen langs die weg kan een mens tot zijn bestemming komen en echte vrede en voldoening vinden, de vervulling van zijn of bestaan.

En u voelt wel aan: dit staat haaks op heel die religieuze kermis die hij daar in Korinthe aantreft. Afgoden zijn het, volgens Paulus. In het Grieks: idolen. Een woord dat wij ook in het Nederlands tegenkomen en dat denk ik precies aangeeft waar die afgoden voor staan. Door een idool word je verblind. Je dweept ermee. Er lijkt niets anders meer te bestaan dan alleen die éne. De werkelijkheid is niet groter meer dan dat éne idool dat je aanbidt. Afgoden zijn heel concreet. En van alle tijden. Zéker niet alleen iets van vroeger, toen mensen daar nog in ‘geloofden’, maar ook van nu. Al noemen wij het nu geen afgoden meer, ze ‘bestaan’ nog altijd. En ze vragen complete overgave, ze nemen je helemaal in hun ban, met alle hysterie die daar soms bij komt. Zoals pubers kunnen dwepen met hun tieneridolen, zo kunnen volwassenen dwepen met van alles en nog wat dat voor hen ultieme waarde heeft. Waar God niet meer centraal staat, nemen afgoden zijn plaats in. Het zijn dus niet zozeer andere ‘goden’ in specifiek religieuze zin, maar alles wat voor God in de plaats komt en waar wij ons helemaal aan uitleveren. Paulus zegt daartegenin: ‘ook al zijn er zogenaamde goden in de hemel of op aarde – er zijn immers heel wat goden en heren – wij weten: er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven.’

Dat is voor Paulus de ultieme kennis, de ware gnosis. Maar ondertussen leven de leden van de christelijke gemeente van Korinthe in een open samenleving en maken ze deel uit van allerlei verbanden. Er was méér dan alleen de eigen kring en het was in de praktijk ook heel gebruikelijk dat je in aanraking kwam met wat voor anderen heilig was. Veel christenen waren afkomstig uit de gewone heidense samenleving van Korinthe en ze bleven natuurlijk hun sociale contacten met het niet-christelijke volksdeel onderhouden. Ook kwam het voor dat ze daarbij tempelplechtigheden bezochten die gewijd waren aan andere goden. In de Grieks-Romeinse wereld waren goden zelden exclusief – het was heel gebruikelijk om meerdere goden te dienen – en het was voor veel heiden-christenen geen probleem om die soepelheid in de religieuze omgang ook na hun bekering tot het christendom voort te zetten. Daarbij kon het gebeuren dat ze tijdens de maaltijd vlees te eten kregen dat aan de afgoden geofferd was. Zoals ze trouwens ook gewoon op de markt vlees konden kopen voor huiselijk gebruik dat oorspronkelijk als offervlees bedoeld was, maar door de priesters weer was doorverkocht omdat ze in de tempel meer dan genoeg hadden.

En nu rijst de vraag: mag dat? Is het een christen geoorloofd vlees te eten dat bedoeld is als offervlees voor de afgoden? Het is uiteraard vooral een vraag voor de heiden-christenen uit de gemeente. De joodse gemeenteleden hielden zich immers meestal nog gewoon aan de joodse spijswetten. Maar onder de christenen uit de heidenen waren er die zich vrij voelden dit offervlees gewoon te nuttigen. Nu zij de ware God hadden leren kennen, ‘bestonden’ de afgoden immers niet meer voor hen en konden ze dit vlees dus met een gerust hart eten. Paulus begint met te zeggen dat het wel of niet eten van bepaald voedsel voor God niet zo heel veel uitmaakt. Maar kennelijk levert het binnen de gemeente wél een probleem op. Dan is het zaak dat de één de ander niet voor het hoofd stoot. Voor Paulus bestaat de gemeente uit sterken en zwakken. De sterken hebben er geen probleem mee om offervlees te eten, omdat ze voor zichzelf hebben afgerekend met de afgoden. Zij hebben geen idolen meer dan de éne ware God die ze dienen. Maar de zwakken zijn bang dat ze door offervlees te eten, besmet kunnen worden door kwade machten. Zo iemand kan in gewetensnood worden gebracht wanneer hij zo’n gevorderde gelovige-zonder-gewetensbezwaar zou aantreffen bij de maaltijdviering van een van de afgoden.

En hoewel Paulus meevoelt met de sterken en hun ideeën eigenlijk onderschrijft, kiest hij hier tóch voor de zwakken. Jij mag dan wel de volle vrijheid kennen, die geen enkele rekening meer hoeft te houden met het heidense gedachtegoed, dat is nog niet voor iedereen zo. Daarom zou ik het laten, als iets in mijn gedrag of overtuiging een ander in het nauw zou brengen. Want dan zou ik mijn vrijheid niet gebruiken, maar misbruiken. En daarmee wijst de apostel een weg die deze in onze ogen achterhaalde ‘vleeskwestie’ overstijgt en aangeeft wat binnen de christelijke gemeente maatgevend zou moeten zijn voor het onderlinge verkeer: dat de sterken de verantwoordelijkheid hebben om als dat nodig is een stap terug te doen ter wille van de zwakkeren. Een houding die naar mijn idee niet alleen de christelijke gemeente zou sieren, maar de samenleving in zijn algemeenheid. Rekening houden met de zwakken. Ruimte bieden aan wie nog niet zover zijn. Mensen hun eigen ontwikkelingsproces gunnen, ook als ze er gedachten en ideeën op na houden die inmiddels volstrekt achterhaald zijn. Al mag dat er natuurlijk niet toe leiden dat de zwakken ervoor zorgen dat er nooit iets verandert omdat zij de hakken in het zand zetten en niet verder willen komen. Wijs beleid in kerk en samenleving zorgt ervoor dat sterken en zwakken met elkaar verbonden blijven en op een goede manier op elkaar inwerken en elkaar proberen te overtuigen.

Zo mogen wij vanmorgen in verbondenheid met elkaar de maaltijd van de Heer vieren. De sterken en de zwakken samen. Zoals men in de Grieks-Romeinse wereld van toen gewend was om tijdens een religieuze plechtigheid samen te eten en te drinken, omdat dat gemeenschap sticht, zo is de gemeente van Christus dat van het begin af aan ook gewend geweest. Samen eten en drinken is kennelijk een algemeen religieus verschijnsel, waar de God van Israël zijn neus niet voor ophaalt. Niet zonder reden roept Jezus zijn leerlingen de laatste keer dat hij met ze aan tafel zit, op om ook in de toekomst zo bij elkaar te komen en hem daarin te gedenken en lévend te houden in hun midden. Laten wij dan zometeen eten van het brood en drinken van de wijn en, zoals de psalmist dat zegt, ‘smaken en zien dat de Here goed is’.

Amen.

 

 

 

Terug 

Preek van ds. R.J. ten Have op zondag 22jan12.