Protestantse Gemeente Anloo - Zuidlaren
Oudejaarsvesper
Magnuskerk Anloo, 31 december 2011
- lezing: psalm 90
- gedicht van Rutger Kopland
TIJD
Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is
en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven
zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg
zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen
het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd
te bedenken hoe we nu leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd
niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd
we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind
- overweging
We hebben geen tijd, we krijgen tijd.
De tijd kunnen we niet vastpakken, we kunnen haar niet staande houden, zij gaat aan ons voorbij.
Op een avond als deze, aan het einde van weer een jaar, zijn we ons daar maar al te bewust van. De afgelopen dagen zijn er heel wat journaalbeelden aan ons voorbijgetrokken van het afgelopen jaar. Al die grote gebeurtenissen op een rij, ver weg en dichterbij, prenten je nog eens in hoeveel er in een jaar kan gebeuren. In ons persoonlijk leven zijn de gebeurtenissen meestal wat kleiner, en soms kan het ook lijken alsof de tijd stil staat. Maar ook daar stroomt de tijd gewoon door, en als we achterom kijken zijn we weer een stukje verder gevaren op de rivier die tijd heet.
Je kunt daar weemoedig van worden, je kunt ertegen in opstand komen en zoveel mogelijk proberen vast te leggen, je kunt je er ook aan overgeven.
Rutger Kopland schrijft daarover: het is vreemd, maar ook vreemd mooi, om nooit te zullen weten wat tijd is. Het is vreemd, maar ook vreemd mooi te bedenken dat ooit niemand meer zal weten dat we hebben geleefd.
Het maakt ons ongemakkelijk om na te denken over onze vergankelijkheid, het kan ons verdriet doen dat sommige dingen, en sommige mensen nooit meer terug komen. Maar het is ook vreemd mooi: het laat je kijken over de grens van je eigen bestaan heen. Het verbindt ons met wie er voor ons hebben geleefd en wie er na ons nog zullen komen. Het laat ons in verwondering stil staan bij hoe wij nu leven.
Psalm 90 slaat een wat andere toon aan. Het is bijna een verwijt aan God over het feit dat wij vergankelijk zijn, en dat ons leven vaak zo snel voorbij lijkt te gaan. “U vaagt ons weg als slaap in de morgen, als opschietend gras dat ontkiemt in de morgen en opschiet, en ’s avonds verwelkt en verdort”. Bovendien, het grootste deel van het leven is moeite en leed. De psalmdichter legt zijn worsteling met de vergankelijkheid voor aan God, in de vorm van een verwijt.
En toch, tegelijkertijd, vraagt hij God ook hulp bij het omgaan met de tijd: leer ons zo onze dagen te tellen, dat wijsheid ons hart vervult. De psalm blijft niet staan bij het verwijt, en blijft niet hangen bij de pijn en de moeite die het leven kost, maar eindigt met een hoopvolle toon: het is mogelijk om in de korte tijd dat ons leven duurt, wijsheid op te doen, liefde te delen, vreugde te ervaren.
Juist ook in de beperktheid van ons bestaan, in alle vluchtigheid en veranderlijkheid die bij het leven hoort, worden wij vastgehouden door God.
Preek van ds. H.E. de Boer op 31dec11.